Partijperikelen

fritsabrahams0

Nooit beseft dat een simpele uitzending van Buitenhof voor een toegewijd lid van de PvdA zó onverteerbaar kon zijn. Het overkwam zondag mijn vrouw na een optreden van haar partijgenoot staatssecretaris Martijn van Dam. Ze was er stil van, wat me overigens bevorderlijk leek voor onze zondagsrust.

Helaas kon ik niet nalaten om na een poos te zeggen: „Wat kijk je bedroefd.”

Ze barstte los als een onweersbui op klaarlichte dag. „Eerst verdedigt Van Dam die onzalige publieksverkiezing van het mooiste natuurgebied, waar straks kabelbanen, klimparcoursen en drijvende minirestaurantjes moeten komen voor de toestromende toeristen. Heeft de PvdA nog niet genoeg leergeld betaald met Airbnb, dat ze in Amsterdam hebben mogelijk gemaakt? Moet nu ook nog de natuur geair-bee-en-beed worden?”

Ze moest even ademhalen, waarna ze vervolgde: „En dan verdedigt hij ook nog de invoering van die flitsstemmen, zodat niet-leden voor twee euro mogen meestemmen op het partijleiderschap. Dat betekent dat Jacques Monasch de nieuwe leider kan worden als GeenStijl om te pesten een campagne voor hem begint.”

„Daar zou Monasch niet tegen zijn”, glimlachte ik. „Te oordelen naar zijn standpunten en zijn taalgebruik is hij een trouwe lezer van GeenStijl.”

„Monasch is in de eerste plaats de vleesgeworden rancune”, zei ze. „Hij vindt dat hij is tegengewerkt in de partij en daarom moet de partij nu kapot. Eerst Samsom, zijn tegenstander, en vervolgens de hele partij.”

„Jullie hebben het aan jezelf te wijten”, zei ik, „jullie zijn naïef. Dat zie je bij die natuurgebieden, bij de flitsstemmen én bij persoonlijke kwesties. Monasch heeft de PvdA al in 2002 verraden met een boek waarin hij als campagnemanager bij de verkiezingen uit de school klapte, maar Bos en Cohen hebben hem weer in genade aangenomen, zonder te beseffen dat ze een adder aan hun borst drukten. En nu verraadt hij jullie wéér. Het kan jullie fataal worden, want hij zal enorme onrust stoken bij die verkiezing, wetend dat de media er hun vingers bij aflikken.”

Het werd nu tijd een ander heet hangijzer uit de partijperikelen aan te vatten: de keus tussen Diederik Samsom en Lodewijk Asscher. Op het moment van ons gesprek stond nog niet vast dat Asscher zich zou kandideren, maar de tekenen konden bijna niet langer bedriegen.

„Weet je het al?”, vroeg ik.

Ze wilde het antwoord nog even uitstellen, maar ik gaf haar geen respijt.

„Oké, het wordt wat mij betreft Samsom”, zei ze.

Ik keek haar overdreven fronsend aan. „Na drie verkiezingsnederlagen en dramatische pollcijfers? Wordt het niet tijd voor iets nieuws onder de zon?”

„Zó nieuw is Asscher nou ook weer niet”, zei ze. „Ik vind het een goede kandidaat, maar Samsom lijkt me nóg slimmer en, vooral, gedrevener. Hij is meer op de buitenwereld gericht, hij was straatcoach, belt bij wildvreemde mensen aan en houdt veel contact met partijgenoten. Asscher heeft daar weinig zin in, hij is meer de wat deftige, bekwame bestuurder op de achtergrond. Samsom heeft zich zo enorm uitgesloofd voor de partij én voor het land, dat hij daarvoor best nog een keer beloond mag worden.” Ze wilde nog weten of ik flitsstemmer zou worden. Ik schudde het hoofd. „Jullie hebben het al moeilijk genoeg.”