Huishoudster steelt een blik babymelk

Ik zag Mary voor het eerst in de keuken van het landgoed waar ik logeerde. Het was vroeg in de ochtend en ik dacht dat nog niemand wakker was. Maar zij was er al, in haar gesteven uniform, het zwarte haar weggestopt onder een kapje. Ze stond sinaasappels uit te persen. „Madam”, fluisterde ze. „Waarmee kan ik u van dienst zijn?” Haar Engels was gebroken.

Mijn gastheer moest wegens ziekte het bed houden en ik werd geacht alleen te ontbijten, apart van de verpleegsters, die pas tegen tienen naar beneden kwamen. Mary dekte de tafel en bleef met gebogen hoofd op instructies wachten. „Madam”, fluisterde ze toen ik niets zei. „Wilt u uw brood geroosterd hebben? Hoe wenst u uw ei?”

Het duurde dagen voordat ze me aan durfde te kijken en op mijn voorzichtige vragen – waar ze vandaan kwam, of ze hier al lang werkte – gaf ze geen antwoord. Ze glimlachte alleen maar, tot ik op een avond laat de keuken binnenliep om nog iets te drinken te pakken. De kok was al gaan slapen en Mary schuurde het fornuis. Overal stonden vuile borden en pannen. „Ben je niet moe?”, vroeg ik.

„Ik ga zo skypen met mijn kinderen”, zei ze. Ze wees naar de laptop op tafel.

„Midden in de nacht?”

„In de Filippijnen is het bijna ochtend. Ze gaan zo naar school.”

Veertien en zestien waren ze, twee jongens. Ze was bij ze weggegaan toen ze twee en vier waren. Eerst had ze bij een familie in Dubai gewerkt. Ze had het er verschrikkelijk gevonden. „Zo veel heimwee.”

„Nu niet meer?”

Ze schudde nee. „Het slijt. En ze hebben het goed, mijn kinderen. Ze wonen bij mijn zusje. Die heeft” – ze begon opeens te stralen – „net een baby gekregen”. Ze droogde haar handen af en haalde een foto uit de zak van haar schort. Een meisje, in een wolk van roze tule.

Toen ik maanden later weer op het landgoed logeerde, was Mary verdwenen. „Ontslagen”, zei de butler. Hij had op de kassabon van de supermarkt een blik babymelkpoeder zien staan. Daarna was hij verder gaan zoeken. „Vitaminepillen, shampoo, repen chocola. Ze stuurde elke maand een pakket naar Manila, op rekening van meneer.”

Ik zag het voor me, Mary op het postkantoor, de spullen zorgvuldig inpakkend, briefje erbij. Van mama, kusjes. „En nu?”, vroeg ik. „Is ze terug naar huis?”

Zo’n domme opmerking had de butler in geen tijden gehoord. „Natuurlijk niet”, zei hij. „Die heeft allang een nieuwe betrekking.” Ik wilde vragen of de politie erbij was gehaald, maar hij gaf het antwoord al. „Die vrouwen zijn hier illegaal, hè. Dus hun werkgevers doen niets, want dan vallen ze zelf door de mand.”

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) vervangt Jutta Chorus in de wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.