‘Huishoudens zijn 37 procent van inkomen kwijt aan woonlasten’

Dit gemiddelde cijfer noemde gebiedsontwikkelaar BPD in een rapport.

Foto ANP / Robin Utrecht

De aanleiding

Wonen wordt steeds duurder, stelt BPD, een bedrijf dat woonwijken ontwikkelt. BPD publiceerde op 4 oktober een rapport over de woningmarkten in Nederland, Duitsland en Frankrijk. „De gemiddelde woonlasten voor Nederlanders stegen in 2016 tot 37 procent van het huishoudensinkomen”, staat in het persbericht. Huurders zijn 42 procent van hun inkomen aan wonen kwijt, kopers 34 procent.

Deze percentages werden overgenomen door enkele media, waaronder nu.nl en BNR. Maar kloppen ze ook?

Waar is het op gebaseerd?

De cijfers in het BPD-rapport komen van het Duitse onderzoeksbureau USUMA. Dit bureau ondervroeg in elk van de drie landen duizend mensen. In Nederland gebeurde dit met een online enquête. USUMA kreeg de opdracht een „representatieve en aselecte steekproef” te doen, zegt Desirée Uitzetter, directeur gebiedsontwikkeling van BPD. De steekproef moest representatief zijn wat betreft onder meer de geografische spreiding van de respondenten en hun sociale achtergrond. Aselect betekent: mensen worden na loting benaderd.

De deelnemers kregen de volgende vraag: „Hoe hoog is het maandelijks percentage van het totale gezinsinkomen, dat u aan woonkosten (huur: inclusief verwarming en servicekosten; koop: inclusief onderhoudskosten, rente en aflossing) uitgeeft?”

Het ‘gezinsinkomen’ is het geld dat huishoudens op de bankrekening krijgen, zegt BPD, dus hun netto-inkomen. In eerder onderzoek van BPD, uit 2011 en 2013, waren de gemiddelde woonlasten nog 32 procent. Daarom spreekt BPD van een stijging.

En, is het waar?

De steekproef lijkt grotendeels te zijn uitgevoerd volgens de statistische normen. Jelke Bethlehem, hoogleraar survey-methodologie in Leiden, en Edith de Leeuw, hoogleraar methoden en statistiek in Utrecht, zeggen dat steekproeven aselect moeten zijn. Daarna moeten ze gewogen worden om ze representatief te maken, in dit geval wat betreft onder meer leeftijd en sociale achtergrond. USUMA zegt dat dit inderdaad is gebeurd.

Bethlehem vindt de vraagstelling „ingewikkeld”. Onduidelijk is welk inkomen mensen moeten nemen (het netto-inkomen, zegt BPD, maar dat staat niet in de vraag). Evenmin helder is of kopers ook energiekosten moeten meerekenen.

Ook het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doet onderzoek naar woonlasten. Wat komt daaruit?

Het CBS meet de ‘woonquote’: het percentage van het besteedbaar inkomen dat huishoudens kwijt zijn aan woonlasten. Daaronder rekent het CBS naast huur of hypotheek ook belastingen en premies die met wonen te maken hebben, plus energie en water. De CBS-woonquote lag in 2015 op gemiddeld 32,5 procent. Voor huurders was dit 38,8 procent, voor eigenaren 28,3 procent. De woonlasten liggen dus lager dan in de BPD-studie. Wel laten de CBS-data eveneens een stijging zien in de woonlasten. De gemiddelde woonquote lag in 2009 0,7 procentpunt lager.

Voor het CBS-onderzoek werden 62.668 mensen ondervraagd, een stuk meer dus. Wel is het CBS-onderzoek iets ouder dan dat van BPD. Bethlehem en De Leeuw verkiezen het CBS boven het BPD. „Het CBS kijkt zorgvuldig en heeft als enige toegang tot gemeentelijke en landelijke persoonsgegevens”, zegt De Leeuw.

Conclusie

De cijfers zijn gebaseerd op een steekproef die statistisch correct lijkt te zijn uitgevoerd. Maar de vraag in de enquête is nogal verwarrend. Ook is de steekproef erg klein in vergelijking met de steekproef die het CBS deed voor zijn onderzoek over woonlasten. Volgens het CBS – de autoriteit op statistisch gebied – zijn de woonlasten flink lager. We beoordelen de uitspraak als grotendeels onwaar.

Ook een bewering zien langskomen die je gecheckt wilt zien? Mail nrccheckt@nrc.nl of tip via Twitter met de hashtag #nrccheckt