Felle kritiek op excellentie in wetenschap

Promovendi

Jonge wetenschappers klagen over 25 jaar ‘excellentiebeleid’. Burn outs en integriteitsproblemen zijn het resultaat.

Het is frustratie die je hoort, en teleurstelling. Ruim honderd jonge academici, afgelopen donderdag bijeen in debatcentrum Ottone in Utrecht zijn eensgezind: de wetenschap is een doorgeschoten systeem. Veel te veel nadruk op publiceren, moordende competitie, amper uitzicht op een vaste baan. „Ik begon idealistisch aan mijn promotie, maar ben alleen maar teleurgestelder geraakt”, zegt een van de aanwezigen. „Burn outs zijn systemisch geworden”, klaagt een ander.

De bijeenkomst in Utrecht is onderdeel van een breder programma dat is opgezet door het Rathenau Instituut in Den Haag en het Centrum voor Wetenschap en Technologiestudies in Leiden. Ze onderzoeken de opbrengst van 25 jaar excellentiebeleid, waarmee de overheid meer nadruk is gaan leggen op toponderzoek, prestigieuze individuele beurzen en competitie. „Er zijn tekenen dat de grens is bereikt, zegt Leonie van Drooge van het Rathenau Instituut.

Dat is zacht uitgedrukt. Sinds een paar jaar ligt dat beleid, en het systeem dat het heeft opgeleverd, zwaar onder vuur. Niet alleen in Nederland trouwens.

Bijvoorbeeld omdat het zich primair op onderzoek richt. De twee andere taken van de universiteit, onderwijs en maatschappelijke bijdragen, zijn er bij in geschoten. „Maar is dat niet juist de eerste taak van een universiteit: dat je anderen onderwijst?”, vraag elektrotechnicus Jan Vleeshouwers van de Technische Universiteit in Eindhoven zich die middag af.

Ander kritiekpunt: bij het verkrijgen van onderzoeksgeld is de competitie inmiddels immens. Een steeds groter deel van het geld is tijdelijk, op projectbasis. Daardoor zwerft inmiddels 60 procent van de wetenschappelijke staf op tijdelijke contracten van de ene naar de andere plek. En nóg een pijnpunt: wie eenmaal een prestigieuze beurs binnen heeft, komt daarna makkelijker aan geld. Zo krijgt een beperkte groep mensen steeds meer – het Mattheüs-effect.

Dan is er nog de competitie tussen universiteiten, maar ook tussen onderzoekers en tijdschriften, om te stijgen op allerlei rankings, die twijfelachtige indicatoren hanteren.

In wisselende groepjes bespreken de academici van alles. Wat is excellentie? Kun je dat meten, en hoe dan? Wat drijft je als wetenschapper? Hoe moet het systeem veranderen?

„Het draait te veel om individueel succes, niet om samenwerking”, zegt filosofe Hanne Laceulle, die promoveert aan de Universiteit voor Humanistiek. Het is een celebrity-cultuur.

Een ander zegt: „De enige die zich interesseert voor je proefschrift, ben je zelf.”

Het kan nog erger, relativeert Dong Nguyen, computerwetenschapper en promovendus aan de Universiteit Twente. „Ik heb in de VS gewerkt. Daar slapen mensen twee weken op hun lab om die publicatie te krijgen.”

Marieke Rienks, die als cardioloog bijna is gepromoveerd aan de Universiteit Maastricht, vraagt zich af wat al die competitiedruk doet met de integriteit van onderzoekers. „In hoeverre geef je die op voor succes”, vraag ze. „Je hoort het vaak, dat iemand bochten gaat afsnijden om maar die begeerde toppublicatie te krijgen. Het is een dunne lijn.”

Oplossingen worden volop aangedragen. Onderzoek of, en hoe, je integriteit kunt belonen. Geef onderwijs meer erkenning. Laat wetenschappers in een soort bootcamp sparren met hun onderzoeksideeën, waarna ze onderling beslissen waar het geld naartoe gaat. Onderzoekers melden hun plannen en proefopzetten van te voren aan bij tijdschriften, en die tijdschriften publiceren dan sowieso de resultaten, of ze nou positief zijn of negatief.