Verlegenheid en Justitie, de erfenis van de VVD

Toen vorige week het blije VVD-verkiezingsprogramma uitkwam moest ik onwillekeurig denken aan Ard van der Steur. Hij keert niet terug in de Kamer want als oud-minister kan hij geen VVD-woordvoerder Justitie meer zijn. En of hij kandidaat is voor een ministerspost liet hij wijselijk in het midden.

Zou Van der Steur nog een kans krijgen? Niks is onmogelijk, maar de opvolger van Ivo Opstelten is in recordtijd afgebladderd. Kwesties rond de Teeven-deal, Volkert van der G., hoogleraar Maat – het hield maar niet op. De Nationale Politie bleek veel duurder dan verwacht, de recherche zit in een kwaliteitscrisis, het OM gaf een ‘winstwaarschuwing’ wegens capaciteitstekort, advocaten dreigen te vluchten uit onrendabel gemaakte rechtsgebieden, binnen de rechtspraak broeide opstand over gebrek aan professionele ruimte. Intussen bleek Nederland een terrorist ongehinderd doorgang naar België te geven.

Als er één departement was waar het VVD-optimisme over ons „prachtige land” waar we „voor niemand bang zijn” niet uitkwam, dan was het wel Justitie, dat op VVD-aandrang was omgedoopt tot Veiligheid en Justitie. Die extra vlag was er uiteindelijk toch één van verlegenheid. Terwijl handhaving en hogere straffen voor een rechtse partij essentieel zijn, lukte het de VVD niet om de nóg rechtsere oppositie daarin te overstemmen.

Het nieuwe blije programma, waarin „Nederland Nederland moet blijven”, doet een hernieuwde poging. De strafmaxima voor moord en doodslag moeten omhoog, „fraude is gewoon fout”, jeugdbendes moeten „blijvend onder druk worden gezet”, voorwaardelijke invrijheidstelling mag voortaan nog alleen bij goed gedrag, werken in de gevangenis is voortaan verplicht, meer aandacht voor slachtoffers en mediation is nodig – dat is het wel. Eigenlijk is dat een nogal tam lijstje.

Het echte ordeprobleem van Nederland wordt alleen zijdelings genoemd: de georganiseerde drugscriminaliteit, groot dankzij de losgeslagen hennepteelt, met liquidaties en corruptie tot gevolg. Ja, een gratuite opmerking over een zware straf voor de crimineel „die kogels in een woonwijk laat vliegen”. Nou en of, buurman. Dat geldt ook voor cybercrime, waar ik vorige week twee bezorgde rapporten over telde en één dito interview met de korpschef. De partij zegt dat het cybercrime wil „opsporen en strenger bestraffen”. Heel goed. Maar hoe dan? Het is de makke van partijprogramma’s – weinig analyse, veel boodschappenlijst. Toch hoop je af en toe op een echte gedachte, al was het maar tussen de regels. En wat een rechtsstaat is, weet de partij ook niet meer. Dat betekent namelijk „dat iedereen zich aan de wet moet houden”. Dat is minder dan de helft van het verhaal. In rechtsstaten wordt de burger juist beschermd tegen de macht van de staat, die rechtszekerheid en rechtsgelijkheid waarborgt.

Juist die opgeruimde VVD-ballade over optimistische burgers die in een prettig land leven en nuchter hun zaakjes regelen, heeft van die rechtsstaat meer nodig dan alleen handhaving. De werkelijkheid is namelijk die van de tierende burgers op GeenStijl, die bij De Rijdende Rechter laten zien dat er geen rancune dieper is dan die voor de buurman.

Al die normen die de partij zo vanzelfsprekend oplepelt, zijn rechtsstatelijk van karakter. Het zijn grondrechten als uitingsvrijheid, vrijheid van religie, rechtsgelijkheid. Die rechten botsen onderling. En het is niet altijd zeker wat zwaarder moet wegen – rechters schrijven er lange arresten over.

Als je het VVD-programma leest, zou je dat niet zeggen; religieuze organisaties die de democratie ondermijnen moeten verboden worden. Boerka’s? Een „algeheel verbod” graag, vanwege het „gevoel van onveiligheid” dat ze oproepen.

Nu mag iedere partij bepleiten wat ze wil, maar meer realiteitsbesef, althans minder juridische gewichtloosheid, zou wel fijn zijn. De rechtsstaat is wat anders dan je mandje vullen met een kilootje strengere straffen hier en een algemeen verbod daar.

Folkert Jensma is juridisch commentator. Twitter @folkertjensma