Commentaar

Sterfhulp is goed idee, maar de praktijk is nog terra incognita

Alvast aangemeld voor de volgende kabinetsformatie: stervenshulp bij een voltooid leven. Het kabinet Rutte-Asscher nam woensdag een onversneden liberaal standpunt in deze maatschappelijk ingewikkelde kwestie in. Ministers Edith Schippers (Volksgezondheid, VVD) en Ard van der Steur (Veiligheid en Justitie, VVD) stellen in een brief aan de Tweede Kamer een wetsvoorstel in het vooruitzicht dat het recht op een autonome keuze voor een einde aan het leven mogelijk moet maken.

Dan gaat het dus niet om euthanasie, dat in de praktijk nu hoofdzakelijk op medische grondslag wordt toegepast. Maar om burgers, meestal op hogere leeftijd, die niet zozeer medisch lijden maar louter het voortzetten van hun eigen, relatief gezonde leven uitzichtloos en ondraaglijk vinden. Mensen voor wie het genoeg is geweest en die wensen te overlijden op een zelfgekozen tijdstip.

Een dergelijk voorstel, vijf maanden voor de Kamerverkiezingen, heeft weinig praktische betekenis, maar wel grote symbolische waarde en dus ook politieke gevolgen. VVD en PvdA zetten hiermee als coalitiepartners een volgende stap in de ontwikkeling van de zorgvuldige stervenshulp, die in 2002 in de wet dankzij minister Els Borst (Volksgezondheid, D66) werd vastgelegd.

Aangenomen mag worden dat VVD en PvdA bij de vorming van een nieuw kabinet dit standpunt zullen willen meeverhuizen. Daarmee kan de erkenning van het begrip ‘voltooid leven’ bij de verkiezingen een rol spelen, waardoor het maatschappelijk draagvlak voor het zelf te kiezen levenseinde kan blijken. Bij een kwestie waarover de samenleving is verdeeld, is dat een goede zaak.

Het kabinet legt met dit voorstel wel een advies van de commissie Schnabel terzijde en maakt een principiële keuze – dergelijke stervensverzoeken zijn legitiem, gepast en verdienen erkenning.

Autonomie van de burger is niet alleen een ideaal, maar ook een recht: iedereen moet zijn eigen leven zelf vorm kunnen geven. En dat houdt ook in zelf te kunnen kiezen wanneer en hoe te overlijden.

Dat standpunt kan hier ruimhartig worden onderschreven. Het is een wens die bij een grote groep ouderen leeft. Een enquête onder lezers die de krant vorig jaar hield toonde het ook aan.

Het kabinet stelt overigens strenge voorwaarden – en terecht. Om te beginnen een beperking tot mensen die „een bepaalde leeftijd” hebben bereikt, zonder nog te zeggen welke dat is. Dat is een verstandige afbakening. De hulp zou gegeven moeten worden door een medisch opgeleide ‘stervensbegeleider’, die altijd om een second opinion vraagt en achteraf wordt gecontroleerd door een toetsingscommissie. De stervenswens moet consistent, weloverwogen en vrijwillig zijn – genomen zonder beïnvloeding door derden. Wat overigens moeilijk te controleren valt. Alternatieven moeten zijn onderzocht, sociale of medische oorzaken moeten zijn uitgesloten. De verstrekking van de dodelijke middelen gebeurt door de hulpverlener, die ze kort van tevoren van de apotheek ontvangt. Dat klinkt allemaal verstandig.

Het is wel de vraag of en hoe de arts, die de medisch onderbouwde euthanasie pleegt en de para-medische stervensbegeleider, die de autonome dood faciliteert, in de praktijk naast elkaar functioneren. Het is sowieso de vraag of de beide vormen van actieve levensbeëindiging naast elkaar zullen kunnen bestaan. Dit is letterlijk onbekend terrein – nergens ter wereld is hier ervaring mee. Wat niet wegneemt dat dit een waardevol plan is.