Recensie

Lachen en huiveren om het absurde

De humorist

Onder veel meer is Dylan een meester van de slapstick. ‘Mijn pen doet het niet’, smoest hij slapjes. Tot het lachen hem verging.

Bij Bob Dylan is de Apocalyps nooit ver weg. In een van zijn beste latere songs, Things Have Changed zingt hij:

I’ve been walking forty miles of bad road

If the Bible is right, the world will explode

I’ve been trying to get as far away from myself as I can

Daar zit de hele poëtica van de oudere Dylan in: de blues, het religieuze motief, en zijn walging van de roem én van zichzelf.

Eén ding ontbreekt hier dat bij Dylan meestal ook niet ver weg is: humor. In de Dylan-exegese is veel gemaakt van de diverse ‘fasen’ in Dylans loopbaan, van protestzanger en ‘stem van een generatie’ via herboren christen en zanger van Americana tot, zijn jongste incarnatie, Sinatra-adept.

Dat verhult de grote consistentie van zijn lyriek, die al vanaf zijn begindagen in Greenwich Village blijk geeft van een sterk gevoel voor het komische en absurde. Het toont zich in een humoristische en in een sarcastische, zelfs apocalyptische variant. Lachen en huiveren liggen in elkaars verlengde.

In vroege nummers als Bear Mountain Picnic (een schipbreuk) en John Birch Society Blues (over communistenvreters) is de maatschapppijkritiek een dun laagje vernis over kolderieke humor. Die wordt allengs sarcastischer, zeker als het gaat om vrouwen. In All I Really Wanna Do (1964) somt de zanger een litanie van vernederingen op die hij zijn geliefde belooft te besparen – maar met zulk enthousiasme dat de argwaan je naar de keel vliegt. In plaats van love songs kwamen hate songs, Dylans aan de blues ontleende misogynie als impuls voor de zoetige popwereld. Zijn één-na-bekendste lied, Like A Rolling Stone, is een smalend ‘had-je-nog-wat’ aan het adres van een hipster avant la lettre die zich moet zien te redden aan de zelfkant.

Hoogtepunt van Dylans absurdisme zijn de knotsgekke teksten van The Basement Tapes, opgenomen in 1967 maar pas volledig uitgebracht in 2014, waarin hij onder meer samen met een stripboekje de bus pakt, zich dronken door zijn hospita in bed laat stoppen, in opdracht van zijn moeder de was van de lijn haalt, en smeekt meegenomen te worden naar Californië.

Tegelijk is er altijd de dreigende, apocalyptische lijn geweest, vanaf A Hard Rain’s-A-Gonna Fall (1962), over een nucleaire ramp. Tot zijn beste latere werk, waarin Dylan zich meer dan ooit een oud-testamentische onheilsprofeet betoont. In dat ijzingwekkende Things Have Changed (2000) gaat in de eerste zin het doek open met ‘A worried man with a worried mind’ – een treffend zelfportret. Omineuze boodschap: ‘People are crazy and times are strange.’

Pure Dylan is het – en een tekst die getuigt van zijn belezenheid. Want na de zoveelste misantropische strofe (‘All the truth in the world adds up to one big lie’), komt ineens deze bekentenis: ‘I’m in love with a woman who don’t even appeal to me.’ Daar horen we niet Blind Wille McTell of T.S. Eliot, maar Marcel Proust, met Swanns verzuchting aan het slot van Un amour de Swann dat hij zijn grootste liefde heeft gegeven aan ‘een vrouw die me niet beviel, die niet van mijn soort was’.

Wat maakt het uit, nietwaar, want de wereld staat op springen.

Toch is de humor ook hier niet ver weg, al is het zonder te lachen. In Highlands (1997) beschrijft Dylan een dialoog met een serveerster die hem probeert over te halen een hardgekookt ei te eten en een tekening van haar te maken op een servetje. ‘Mijn pen doet het niet’, smoest hij slapjes. Seksueel getint, zeker, maar ook een gaaf voorbeeld van Dylaneske slapstick.

Keerpunt in Dylans absurdisme, het moment dat het lachen hem verging, moet zijn geweest zijn traumatische echtscheiding halverwege de jaren zeventig, verwerkt op het meesterlijke Blood on the Tracks (1974). Toen hij op de radio met dat album werd gecomplimenteerd, merkte hij op: „Ik begrijp niet hoe mensen plezier kunnen beleven aan zoveel pijn.” En toch kan het – en hij begrijpt als geen ander waarom.