Cultuur

Interview

Interview

Foto Andreas Terlaak

‘Ik sta nu relaxter in het leven’

Interview Inge Dekker

De „introverte” van de ‘golden girls’ beëindigde deze week haar lange zwemcarrière. Een zware beslissing, volgens haar. Ze kijkt terug op vijftien jaar. En op de staat van de Nederlandse zwemsport. „Er is best veel onvrede, mensen die buiten de boot vallen.”

‘Na een periode goed te hebben nagedacht, heb ik besloten te stoppen met het zwemmen van wedstrijden. Het was een moeilijke beslissing, want de passie voor de zwemsport is nog altijd erg groot.’

Het Facebookbericht van Inge Dekker, begin deze week, leidde tot een stortvloed aan reacties. De zwemster met de langste staat van dienst op het mondiale podium – ze debuteerde in 2001 – lijkt overvallen door alle aandacht.

Dekker mag dan zelfverzekerd overkomen, in de kern is ze nog even pretentieloos als het 16-jarige meisje dat verging van de zenuwen toen ze als kersverse senior bij Pieter van den Hoogenband aan tafel mocht zitten.

Later in het gesprek legt ze uit waarom ze een punt zette achter haar carrière. Ze vertelt ook hoe ze dit jaar herstelde van baarmoederhalskanker. Het was een angstige tijd, maar haar ziekte zorgde ook voor persoonlijke groei.

Dekker (31) ontdekte het zwemmen op haar zevende. Aanvankelijk had ze meer met turnen. Tot ze door een paar vriendinnen werd uitgenodigd voor een zwemles in haar woonplaats Leusden. De trainer zag al snel dat ze talent had. Vooral in de vlinderslag blonk ze uit.

Tegen haar moeder zei Dekker op haar twaalfde dat ze naar de Olympische Spelen wilde. Maar haar timide karakter stelde haar voor problemen. „Als topsporter moet je weten wat je wilt. Als dat niet overeenkomt met wat anderen willen, moet je voor jezelf opkomen. Dat zat er bij mij niet meteen in.”

Ze leerde van zich afbijten in Marseille, waar ze tussen 2010 en 2013 gecoacht werd door Romain Barnier. „Het eerste jaar ging alles voorspoedig. Ik werd wereldkampioen op de 50 meter vlinderslag. Omdat dat niet olympisch is, wilde ik voor de 100 meter gaan. Maar een aangepast programma zagen ze daar niet zitten. Toen moest ik zeggen wat ik nodig heb. Voor mijn persoonlijke ontwikkeling is dat heel belangrijk geweest.”

Foto Robin Utrecht / ANP

Inge Dekker tijdens de halve finale van de 50m vrij op de Olympische Spelen. Foto Robin Utrecht / ANP

Je wisselde vaak van trainer in je carrière. In de pers werd je een lastpost genoemd.

Ze lacht. „Na Marseille ging ik in Amsterdam bij Martin Truijens trainen. We hadden veel discussies. Ik wilde weten waarom hij dingen op een bepaalde manier aanpakte. Martin stond er voor open om samen plannen te bedenken. Maar de andere zwemmers reageerden verbaasd: heeft ze nou wéér wat te zeggen?”

Over die lastpost-kwalificatie zei je destijds: het heeft alles met gevoel te maken. Wat bedoelde je daarmee?

„Bij zwemmen draait alles om gevoel: tijdens een training, maar ook in het water. Hoe ‘pak’ je het water, hoe zet je kracht? Een trainer kan zeggen: doe wat meer zus of zo. Maar alleen de zwemmer voelt het. Voelt iets niet goed, dan moet een zwemmer dat communiceren. Het is aan de trainer iets anders te bedenken.”

Over haar samenwerking met Marleen Veldhuis, Femke Heemskerk en Ranomi Kromowidjojo is in de loop der jaren veel geschreven. De ‘golden girls’ wonnen de ene na de andere medaille – met het olympisch goud in Beijing als hoogtepunt – maar er waren ook tijden „dat het wat minder boterde”, zoals Dekker zich ooit liet ontvallen. Dieptepunt in hun relatie was toen Kromowidjojo en Veldhuis in 2010 verhinderden dat Dekker bij haar oude coach Jacco Verhaeren terugkeerde. Die had zij een jaar eerder verruild voor Marcel Wouda. Kromowidjojo en Veldhuis wilden Dekker niet meer in hun ploeg. „Misschien voelden zij zich in de steek gelaten”, zegt ze nu. „Misschien dachten ze: zo werkt dat niet.”

Jullie hebben er nooit over gesproken?

„Niet in detail. Ranomi was ergens boos over, ik weet niet meer precies wat. Toch besloten we verder te gaan. Vier verschillende persoonlijkheden die jaar in jaar uit met elkaar samenwerken: dan botst het wel eens.”

Dat Alberda wegging, was niet onze bedoeling. Dat kwam meer vanuit de bond en Joop zelf.

Foto Robin Utrecht / ANP

Foto Robin Utrecht / ANP

Wat was jouw rol binnen het kwartet?

„Marleen was als oudste een beetje de moeder. Ze was stabiel en altijd vrolijk. Ik was rustig, minder aanwezig. Jack van Gelder vroeg mij laatst of ik de meest introverte van het stel was. ‘Ik denk van wel’, antwoordde ik. Later begon ik te twijfelen. ‘Minder aanwezig’ is niet hetzelfde als ‘introvert’.”

Je bent voorzitter van de atletencommissie van de zwemmers. Dan moet je toch van je laten horen.

„Ja, ik denk dat ik dat inmiddels wel kan.”

Deze zomer vertrok zwembonddirecteur Joop Alberda na een conflict met de atletencommissie. Hoe kijk je daarop terug?

„Er werden door de zwembond beslissingen genomen over óns begeleidingsteam op de Olympische Spelen. Als atletencommissie vonden wij het raar dat er niet naar onze mening werd gevraagd. We hebben gevochten voor onze mening en zijn daarin gekend. Dat Joop wegging, was helemaal niet onze bedoeling. Dat kwam meer vanuit de zwembond en Joop zelf. ‘Ik kan hier niks mee’, zei hij. Zijn vertrek was een consequentie van wat wij wilden.”

Wat moet er volgens jou veranderen in de zwemsport?

Ze zwijgt even. „Er is best veel onvrede. Mensen die buiten de boot vallen. Coaches die minder betrokken worden dan ze zouden willen.” En dan verschijnt binnenkort ook een zwembond-evaluatie van de Spelen. „De atletencommissie heeft zelf ook een evaluatie uitgevoerd: wat vinden de zwemmers die naar Rio zijn gegaan van de Spelen? Mijn indruk is dat die twee evaluaties overeenkomen. Dat is goed, want dat betekent dat zwemmers niet alleen tegenover ons, maar ook tegenover de KNZB eerlijk zijn geweest.”

Foto Robin Utrecht / ANP

Inge Dekker tijdens de finale van de 4×100 meter vrij in het Olympic Aquatics Stadium tijdens de Olympische Spelen in Rio. Foto Robin Utrecht / ANP

Het kost zwemmers moeite zich uit te spreken?

„Het is moeilijk staf te evalueren met wie je dagelijks samenwerkt. Zeker als je zestien of zeventien jaar bent en bang dat jouw uitspraken bij die mensen terugkomen. Het ziet ernaar uit dat de zwemmers dat toch hebben aangedurfd. Daar ben ik trots op.”

Nu klink je zelf als een zwemmoeder.

Ze lacht. „Dat hoor ik vaker. Sharon [van Rouwendaal] zei toen ze hoorde dat ik ziek was: ‘Ja, maar… Inge is het moedertje van de ploeg!”

Daarmee brengt Dekker het gesprek zelf op de moeilijke periode die achter haar ligt. Na een uitstrijkje, eind vorig jaar, kreeg ze te horen dat ze in het voorstadium van baarmoederhalskanker zat. „De arts zei dat er wat weefsel moest worden weggesneden, maar haast had het niet echt. Het was nog heel klein. Ik mocht eerst op trainingskamp naar Thailand.”

Ik schrok me rot toen ik het hoorde. Als topsporter kende ik mijn lichaam goed.

Na de ingreep, een paar weken later, kreeg ze een telefoontje van de oncoloog: er zijn toch kwaadaardige cellen gevonden. „Ik schrok me rot. Als topsporter kende ik mijn lichaam goed. Hoe kon dit? Ik heb meteen mijn vriend gebeld en gegoogeld: wat kan ik verwachten?”

De dag dat ze onder het mes ging, was Dekker op van de zenuwen. Ze had zichzelf voorgenomen dat ze bij goed nieuws de trainingen weer zou oppakken. Toen bleek dat de kanker niet was uitgezaaid, voegde ze de daad bij het woord. ‘Ik wil naar Rio’, meldde ze haar artsen.

Joop Alberda had haar teamleden kort na de diagnose ingelicht. „Het nieuws sloeg in als een bom. Femke heeft mij wel vijf keer proberen te bellen. Het raakte haar; ze is een gevoelsmens.”

Foto Robin Utrecht / ANP

Inge Dekker tijdens de series 50 meter vrij in het Rio Aquatics Stadium op de Olympische Spelen van Rio. Foto Robin Utrecht / ANP

Hoewel Dekker makkelijk praat over haar confrontatie met de dood, geeft ze toe weinig tijd voor verwerking te hebben genomen. „Een professor in het ziekenhuis zei tegen me: ‘je zit in een sneltrein, maar op een gegeven moment gaat die stoppen. Nu gaat alles langs je heen. Maar er komt een moment dat jouw trein tot stilstand komt, en dan komt de klap’.”

Ze is zich ervan bewust dat de ziekte kan terugkeren. Maar voor die klap is ze niet bang. Ze kan meer genieten, ook als het tegenzit. „Of ik nou vierde word of niet, dat maakt niet uit”, zegt ze over haar optreden bij de olympische estafette in Rio. „Natuurlijk baalde ik, maar ik dacht ook: ik ben blij dat ik hier mag zijn.”

Kon ze zich vroeger opwinden over een onaangeroerde afwas, nu laat ze die zonder al te veel moeite een dagje staan. „Ik sta relaxter in het leven”, zegt ze.

Met haar zusje Lia heeft Dekker een bedrijfje voor zwemtrainingen opgezet. Ze adviseren jonge zwemmers die een aanvulling willen op de trainingen bij hun eigen club. Voor nu is dat leuk, zegt ze, „maar ik ben nog op zoek naar iets waarin ik dezelfde passie en drive vind als in het zwemmen”.

Toen ze hoorde dat ze ziek was, maakte Dekker een lijst met doelen: 1. overleven. 2. kinderen krijgen. 3. terugkomen als zwemster. Nu ze twee van de drie punten lijkt te kunnen afstrepen, richt ze zich op het derde. „De beslissing om te stoppen viel zwaar, ik heb even getwijfeld. Al dat harde werken voor ‘Rio’ en dan stoppen als het lekker loopt? Maar het gezin gaat voor. Er is meer dan zwemmen in het leven.”