‘Het geld drink je er niet aan af’

Lunchinterview Vijftig jaar verzamelde radioloog Allard Botenga, bijzondere flessen Bordeaux en Bourgogne. Het bleek de beste investering ooit. Bij uitzondering geeft hij een kijkje in zijn kelders.

© Frank Ruiter

Allard Botenga (82), wijnkenner en -verzamelaar, zoekt een geschikte (witte) wijn voor bij de lunch. De locatie: Aan de Zweth, een restaurant tussen Rotterdam en Delft. Eén Michelinster. Viergangenmenu.Eerst bestudeert hij de wijnkaart. „Zo, zo…” En: „ …duur, zeg.” Veel eenvoudige én enkele grote wijnen, concludeert hij. Toch even overleg plegen met de sommelier. „Arnold, kom er even bij.” Sommelier Arnold Zwartkruis brengt twee flessen mee naar onze tafel en schenkt van elk wat in een glas. Allard Botenga nipt van de één. „Is het een 12?” „Mooi gepolijst.” De sommelier: „Prachtig behoud van sap.” De proever: „De zuren ietsje separaat.” Dan het tweede glas. Slokje, lucht erbij zuigen, spoelen in de mond. En?, popelt de sommelier. „Erg veel toasting hoor, het fruit wordt wat weggedrukt.” Nog een slok: „Enorme plens hout, Arnold. Ik zeg: houtzagerij.”

Voor we beginnen, zegt Allard Botenga en duikt in zijn leren aktetas naast zijn stoel. Hij overhandigt me acht velletjes met zijn uitgetypte en met potlood gecorrigeerde levensverhaal. In „statu nascendi” uiteraard – onaf. Ik moet het zien als een eerste aanzet om zijn „verzameldwang” en „pathologische hobby” te verwoorden. Vijftig jaar van zijn leven besteedde hij aan de opbouw van zijn collectie Bordeaux, Bourgogne en Riesling.

Dit interview is onderdeel van een wijnspecial. Lees ook: Wijn moet tegenwoordig bijzonder zijn

Op het hoogtepunt bestond die verzameling uit 55.000 flessen. Maar, zegt hij, hij heeft nooit een wijn gekocht die hij niet óók wilde drinken. Altijd was het hem te doen om de smaak, de sensatie ervan, en niet om de zeldzaamheid of prijs. Maar wat hij nooit heeft kunnen bevroeden, is dat de wijnen die hij dertig jaar geleden al aan de prijs vond – „honderd gúlden” – soms het tienvoudige in euro’s waard werden. In Tokio, Shanghai, Hongkong azen verzamelaars op de belangrijke Bordeaux-jaren. 1929, 1945, 1961, 1982. Het gevolg is een „idiote prijsacceleratie”.

Drie kelders

Zijn flessen, die hij verdeeld over drie kelders bewaart, zijn de beste belegging ooit gebleken. „Vaak wordt gevraagd: ‘drink je het geld er nou aan af?’ Nee, natuurlijk niet.” Meer en meer weerhoudt de prijs hem ervan zijn flessen te „onthoofden”. „Klakkeloos kapitalen opentrekken, een fles van 3.000 euro, dat wordt me te gek.” Dus is hij aan het verkopen geslagen. Nu heeft hij nog 38.000 flessen over. Alsnog zal hij dan de komende vijftig jaar twee flessen per dag moeten drinken om de kelders leeg te krijgen. Hij haalt zijn schouders op. „Mijn kinderen moeten het maar veilen.” Hij heeft twee dochters en één „eveneens vinofiele” zoon.

Botenga, radioloog in ruste, drinkt dagelijks een fles. „Maar nooit voor vijf uur, en bij voorkeur pas na achten.” Jaarlijks laat hij zich doorlichten door een specialist, en raad eens: zijn leverwaarden zijn uitstekend. Hij houdt zijn armen recht voor zich uit, zijn beide handen trillen. „Die tremor dank ik vermoedelijk wèl aan mijn hobby.” Maar, let op, zegt hij, na een glas of twee is die tremor volledig verdwenen.

Hij klopt zachtjes op zijn buik. „Twintig kilo is eraf.” Helaas, zegt hij, gaat vinofilie voor hem samen met epicurisme. Laat hij het zo zeggen, in het buitenland is er geen sterrentent waar hij niet is geweest. Anderhalf jaar heeft hij geknokt voor een tafeltje bij El Celler de Can Roca in Girona in Spanje. In 2015 de nummer 1 van San Pellegrino’s top vijftig beste restaurants ter wereld. Hij kan er over een half jaar terecht. En eind november heeft hij een plekje voor twee bij Massimo Bottura in Italië, de nummer 1 van dit jaar. Hij gaat met zijn vriendin. Om al dat ge-eet te compenseren, houdt hij zich zes dagen in de week aan een vermageringsdieet.

In zijn familie heeft de wijnliefde een generatie overgeslagen, zegt hij. Zijn moeder dronk pleegzusterbloedwijn, liefst nog met een schepje suiker. Zijn vader dronk niet. Maar diens vader moet onder beide familiehuizen wijnkelders van „enig kaliber” hebben gehad. Zijn verzameling is tijdens de Eerste Wereldoorlog verwoest door een overstroming.

De eerste „wijnervaring”, schrijft Botenga in zijn getypte levensverhaal, had hij op zijn 21ste. Het was 1956, hij was lid van de Commissie van Bestuur van het Utrechts studentencorps. Hij reisde af naar Frankrijk om daar een kistje Léoville Las Cases 1947 te bemachtigen voor een promotiediner op de sociëteit. „Het bouquet van die wijn was van een ongekende diepgang. Dat zo’n simpel vruchtje zo’n smaaksensatie teweeg kon brengen. Ik was verloren.” Alleen, de middelen ontbraken hem om die sensatie nog een keer te ervaren.

Eind jaren zestig kon hij zich iets meer permitteren. Eerst mondjesmaat, daarna met tientallen kisten tegelijk. Hij was intussen – cum laude – gepromoveerd op een eigen vinding in de radiologie. Hij werd gepolst voor vier hoogleraarschappen, maar solliciteerde niet. „Achteraf heb ik daar wel spijt van. Met een hoogleraarschap had ik mijn vader een verschrikkelijk plezier gedaan.” Zijn vader was ook radioloog. Maar hij verkoos de wijn boven zijn carrière en bleef radiodiagnost in het kinderziekenhuis en het zeehospitium in Den Haag. „Op de gekste momenten vloog ik weg.” Naar een wijnveiling in Londen. „Mijn geluk was dat ik een heel intelligente hoofdlaborante had in het ziekenhuis. Ze had zich de diagnostiek van röntgenopnamen eigen gemaakt. Was ik weg, dan verving ze mij volledig.”

Dialoog in jargon

Soms verkocht hij ’s ochtends bij Sotheby’s gunstig ingekochte kisten nog dezelfde dag met winst door op een Christies-veiling. Veel vaker reed hij met een volle achterbak terug naar huis. „En ’s ochtends vroeg was ik weer present op de afdeling.”

Na het voorgerecht – kalfstartaar met gepocheerde eierdooier – presenteert de sommelier twee nieuwe witte wijnen. Opnieuw een dialoog in wijnjargon. „Oude stokken.” „Grappige neus.” „Krijt op de finale.” „Serieus glas.” Er volgt een bordje krab en daarna een gerecht met griet. Botenga verhaalt over wijnsoorten en jaren, over druiven van linker- en rechteroevers, strooit met namen en anekdotes. Tussendoor recenseert hij de gerechten. ‘Lekker’ komt niet voor in zijn vocabulaire, het is ‘sterwaardig’ of ‘elegant gecomponeerd’, een enkele keer „teleurstellend”.

Waar liet hij al die kisten Lafite, Mouton en Latour? In de kelder onder zijn huis. En toen die vol was, heeft hij twee panden gekocht in het centrum van Den Haag. Onder beide huizen heeft hij eigenhandig de kelder uitgegraven en ingericht als wijnkelder. „We rijden er straks wel even langs”, belooft hij.

De verdiepingen boven de kelder verhuurt hij, zo heeft hij gratis opslagruimte. „Geniale constructie.” Eind jaren negentig kocht hij er nog een aantal panden bij. Van zijn wijnwinsten? „Nee, het is andersom. Mijn onroerend goed financiert mijn hobby.”

Nog altijd maakt hij wijnreizen, bezoekt hij proeverijen, maar zelf kopen, dat doet hij niet meer. „Niet voor de huidige abjecte prijzen.” Tot voor kort zat hij in het proefpanel van het vakblad Wijnpers. Hij is eruit gestapt voordat zijn „olfactorische zenuwen degenereren”. Hij bedoelt: voor hij minder goed gaat ruiken. Want dat is wijn proeven vooral: ruiken. „Gezien mijn leeftijd, ben ik onder de proevers een uitzondering.” Voor een cursus vinologie of opleiding had hij nooit tijd. Niet nodig ook, zegt hij. „Het verstand kwam met de jaren.”

We lopen tegen het einde van de lunch. Het is half vijf. Voor de koffie zijn smaak ruïneert, drinkt Botenga de bodempjes uit onze glazen, óók de „houtzagerij” waarmee we begonnen. Dan gaan we in zijn boodschappenwagen op weg naar Den Haag. Natuurlijk kan hij nog rijden, sust hij. Als hij al met al de afgelopen vier uur twee volle glazen heeft gedronken, is het veel. Ruim onder de wettelijke norm.

Op naar zijn ‘levenswerk’. Hij opent twee vergrendelde deuren en een rolluik en daalt af naar wat je gerust een schatkamer kunt noemen. Als goudstaven liggen de flessen uitgestald. Voorzichtig tilt hij er een uit een rek. „Zeer, zeer zeldzaam.” Een 1985, Richebourg van Henry Jayer. „Verrek, ik heb er nóg een.” Complete jaargangen Petrus, Mouton Rothschild en Latour, sommige nog uit de voor-vorige eeuw. Hij heeft halfjes liggen, magnums (1,5 liter), dubbele magnums (3 liter), jeroboams (4,5 of 5 liter) en imperials (6 liter). Hij weet blind alles te vinden.

Maanden en maanden heeft hij gewerkt aan de inrichting van de kelders. Eigenhandig timmerde hij een lambrisering van wijnkisten, legde zelf de sfeerverlichting aan. Aan de muur opgezette fazanten en hertenkoppen, trofeeën van zijn vader, een fervent jager. Hij fluistert: „Hooguit vijftien man heb ik hier toegelaten, ik ben er niet gul mee.” Hij wijst op het rekje waar zijn witte Bourgogne bibliotheek lag. Kwam integraal naar beneden, honderden flessen stuk. Hij vertelt over de kat die bij hem thuis de Lafite 1953 en de genummerde fles Mouton 1956 van de planken afdonderde, de lekkage die de zeldzame labels van zijn flessen afspoelde waardoor die aan verkoopwaarde verloren (de prijs van een fles hangt ook af van de kwaliteit van het label).

We gaan naar het tweede huis, verderop. Weer sloten. Hij trommelt op stapels kisten. „Veel had ik voor veel geld kunnen verkopen.” Maar hij heeft die druk weerstaan, zijn trofeeën zijn hem te dierbaar. „Je kunt zeggen: ik heb mijn leven verloren aan de wijn. Maar het heeft me ook geweldig veel vreugde gegeven. Wijn is voor mij van eenzelfde esthetische waarde als een schilderij van Rembrandt. Het is romantiek, passie, alles tegelijk. Het is emotie.”

    • Rinskje Koelewijn