Haagse haat over integratie en elkaar

Vijandigheden in de politiek

Als burgers willen zien hoe je integratieproblemen in elk geval níet oplost, moeten ze eens gaan kijken bij de Tweede Kamercommissie die daarover praat, zeggen leden van die commissie zelf.

Foto’s David van Dam

Het ene Tweede Kamerlid noemt het andere Tweede Kamerlid „rotte appel”. Die zegt zelf dat de collega naast hem beter kan „opdonderen”, net als „álle racisten”. Want die collega is „hét probleem” dat „moet worden opgelost.

Die collega zegt op zijn beurt over een ander Kamerlid dat hij „taqiyya pleegt” – en dus liegt over wat hij als moslim, zogenaamd gematigd, écht vindt. Al zegt hij het ook weer niet zomaar: dat Kamerlid had hém net daarvoor „een van de grootste haatzaaiers” van Nederland genoemd.

Het zijn scènes uit één soort vergadering in de Tweede Kamer: als de leden van de commissie Sociale Zaken bij elkaar komen om met PvdA-minister Lodewijk Asscher over integratie te praten. Soms over één thema, soms over een onderzoek of over een wet die eraan komt.

Met camera’s erbij en publiek op de tribune vergaderen ze over de manier waarop burgers in Nederland meedoen aan de samenleving – of niet. Wie erbij hoort en erbij wil horen. Of juist niet. En wat je eraan kunt doen als het samenleven mislukt.

Als burgers willen zien hoe je zulke problemen in elk geval níet oplost, zeggen sommige leden van de commissie, kijk dan vooral eens via internet naar deze Tweede Kamervergaderingen.

Hoofdpersonen zijn meestal ex-PvdA’er Selçuk Öztürk, van de Groep Kuzu-Öztürk en de beweging Denk, en Machiel de Graaf (PVV). Ze hebben het tegen elkaar of tegen PvdA’er Marcouch, die een enkele keer zelf meedoet. En soms tegen Malik Azmani (VVD) en Sadet Karabulut (SP).

„Ik ben hier voor het eerst”, zegt Tweede Kamerlid Paul van Meenen (D66) als hij het woord krijgt van de voorzitter. Afgelopen woendagmiddag, bij weer zo’n debat over integratie.

„Welkom”, zegt Kamerlid Linda Voortman (GroenLinks).

„Het is echt leuk hier”, klinkt het uit de hoek waar Malik Azmani, Sadet Karabulut en Ahmed Marcouch naast elkaar zitten. Ze lachen alle drie.

„Ja, ja”, zegt Van Meenen. „Het is maar goed dat ik vanochtend een extra bloeddrukpilletje heb genomen.”

„Zoals Trump en Clinton nu met elkaar omgaan”, zegt Tweede Kamerlid Pieter Heerma (CDA) op dinsdagochtend, twee dagen na het verkiezingsdebat in de VS, „díe kant gaan we hier ook op.”

En let op, zegt Heerma. „Clinton wilde Trump ook geen hand geven. Daar stonden haat en verwijdering tegenover elkaar.”

PVV-leider Geert Wilders is een grote fan van Trump, hij twittert vaak over hem. Maar niet vorige week, nadat was onthuld wat Trump in 2005 had gezegd: dat je ‘als ster’ vrouwen bij hun pussy kon pakken. Toch wil Wilders er wél wat over zeggen, als hij op dinsdagmiddag langs de cameraploegen naar de plenaire zaal van de Tweede Kamer loopt. Tegen NRC: „Dat was geen mooie opmerking. Die zou ik zelf niet hebben gemaakt.”

„Ik vond wél”, zegt hij er meteen bij, „dat Trump het debat had gewonnen.”

Wat hij van het debat zélf vond? Hoe Trump en Clinton met elkaar omgingen? „Het is Amerikaans.”

Wat is dit voor spektakel?

In zijn werkkamer op het Binnenhof zegt Tweede Kamerlid Malik Azmani (VVD) dat hij zich „enorm” schaamt voor de commissiedebatten. „Wij zouden als politiek het goede voorbeeld moeten geven. Mensen die dit zien, denken: wat zijn dit voor een afschuwelijke woorden en wat is dit voor spektakel?”

Dat schaadt het aanzien van de politiek, vindt Azmani. „En het is heel gevaarlijk. Als je in een debat over integratie juist tegenstellingen wilt creëren, krijg je dus nooit één samenleving.”

Er zijn soms Tweede Kamerleden die het voor hun collega’s opnemen, maar volgens Azmani is dat zinloos. „Daarmee maak je het alleen maar groter, emotioneler.”

Een scène uit een debat over inburgering, waarin Azmani een vraag stelde aan Öztürk („staan jullie wel voor één samenleving?”) stond daarna op de Facebookpagina van Denk. „Er was in geknipt”, zegt Azmani, „waardoor het was alsof ik er niet goed uitkwam.”

Öztürk doet dat, denkt Azmani, omdat Azmani een Marokkaanse vader heeft. „Er kwamen ook zulke reacties via Facebook: dat ik me afzet tegen mijn vader en mijn achtergrond niet erken.”

Of hij het erg vindt? „Ik vind het niet de manier waarop je politiek zou moeten bedrijven. Ik heb hem nooit kwaad gedaan. En ik kom op voor álle mensen in dit land die hun handen uit de mouwen willen steken, met respect voor anderen.”

Integratie, zegt CDA’er Heerma, is „dé grote sociale kwestie van dit moment”. „Het is het meest confronterende en polariserende thema in de politiek.”

Maar wat heb je als Tweede Kamer aan persoonlijke ruziedebatten? Toeschouwers lopen daarna vrijwel nooit weg met het idee dat de minister van integratie zélf het moeilijk heeft gehad, hoe moeizaam het misschien ook loopt met de integratie in Nederland. Lodewijk Asscher zit er bij alsof hij er niet bij hoort.

„Wil jij water?” Machiel de Graaf (PVV) zit op woensdagmiddag al klaar voor het debat over integratie en schenkt twee glazen vol, ook een voor Selçuk Öztürk.

„Je begint het te leren”, zegt Öztürk en gaat met een glimlach naast De Graaf zitten.

Ruim een uur later is De Graaf aan de beurt om te spreken. „De Russische schrijver Solzjenitsyn wist het al lang geleden: men herkent de waarheid pas als het niet meer nodig is.”

Dan ineens: „Voorzitter, zou u de collega naast mij tot de orde willen roepen? Ik word hier voor racist uitgemaakt.”

Öztürk: „Dat heb ik niet gezegd, voorzitter. Als ik dat wel doe, zet ik de microfoon aan. Zoveel lef heb ik wel.”

Lamgeslagen

In een debat over terrorismebestrijding, eind vorig jaar, noemde PVV-Kamerlid De Graaf PvdA’er Marcouch een „moslimbroeder”. „Meteen daarna”, zegt Pieter Heerma, „kreeg Marcouch van Öztürk te horen dat hij een geheime agenda had om de islam te vernietigen. Dan heb je elk constructief debat lamgeslagen.”

Als Tweede Kamerlid heb je dan geen keus, vindt Heerma: je moet het publiekelijk opnemen voor je collega. „Anders laat je zien dat het kennelijk normaal is om zo met elkaar om te gaan. En vinden wij het normaal als onze kinderen op het schoolplein zo tegen elkaar doen? Dit zegt iets over de stand van de politiek.”

Machiel de Graaf (PVV) denkt lang na of hij wil meedoen aan dit verhaal. „Het gaat mij om de inhoud.” Op woensdagmiddag, na het debat, wil hij wel praten – maar heel kort. De Tweede Kamercommissie is volgens hem „gesegregeerd, verdeeld en chaotisch” en „staat model voor de hele maatschappij”.

Hoe hij zijn eigen rol ziet in de debatten? „Als een kanarie in de kolenmijn. Dat geldt voor de hele PVV. Als ons geluid verstomt, is het gedaan in Nederland.”

Waarom maakt hij zelf collega’s uit voor leugenaar, zoals Marcouch die volgens hem ‘taqiyya pleegt’? „Maar daar kan hij zich toch tegen verweren?”

Selçuk Öztürk heeft meer tijd. In zijn werkkamer laat hij een filmpje zien, op zijn iPad, dat „iemand” heeft gemaakt. Je ziet Öztürk als een soort Superman in beeld verschijnen, hij rent naar voren en trekt maskers af van journalisten en politici, ook van Marcouch en Asscher.

Dat is, zegt hij, wat Tunahan Kuzu en hij doen in Den Haag: hypocrisie ontmaskeren, dubbele agenda’s blootleggen. „Marcouch zegt dat hij opkomt voor homo’s en Joden, maar dat is schijn. Wij maken dat bespreekbaar. Wij willen af van het Haagse spel dat je met anonieme bronnen anderen zwart maakt.”

Dus maakt Öztürk mensen openlijk zwart? „Nee, wij laten zien hoe het is onder de maskers. Dat doet pijn bij de politici en de Haagse journalisten.”

De vergaderingen over integratie kunnen fel zijn, ja. „Wij houden van een open discussie.” Dat hij De Graaf „dit probleem” noemde, had volgens Öztürk niets te maken met „ontmenselijking” – zoals De Graaf het zelf zag. „Hij had een heel verhaal gehouden: dat iedereen die zich niet houdt aan onze normen en waarden weg moest. Dan draai ik me om en zeg: wie ben jíj nou? Waarom ga jíj niet weg? PVV’ers worden hier al twaalf jaar met fluwelen handschoenen aangepakt. En wat is het resultaat? PVV’ers zijn kwajongens en die moet je ook op die manier aanpakken. De Graaf snapt dat.”

Öztürk schreeuwt wel eens in de integratiedebatten, zegt hij zelf. „Eén keer moest ik drie keer schreeuwen voordat ik mijn punt van orde mocht maken. De voorzitter van de commissie belemmert mij in mijn functioneren, in mijn verhaal. Ik houd het allemaal bij. Als anderen drie interrupties mogen doen, krijg ik er maar twee. Ze denkt: die Öztürk moet ik hard aanpakken. Dan blijft hij rustig. Maar bij mij werkt dat averechts.”

De voorzitter, Tweede Kamerlid Brigitte van der Burg (VVD), wil er niets over zeggen. „Laat anderen dat maar doen. Ik ben technisch voorzitter.”

Selçuk Öztürk, op woensdag: „Voorzitter, de heer Marcouch houdt hier een prachtige speech. Hij kan ook heel mooi opiniestukken schrijven. Maar is dit zijn maidenspeech of zo? Is hij nieuw? Het racisme in Nederland verdubbelde in deze afgelopen kabinetsperiode.”

Marcouch: „Ik incasseer de complimenten. En als ik de heer Öztürk zo hoor over mijn publicaties, hoor ik ook dat hij hunkert naar een staat waarin u die kunt verbieden. U zit in het verkeerde parlement, meneer Öztürk.”

Geen spelletje

In de wandelgangen van het parlement kijkt PvdA’er Marcouch Öztürk niet meer aan. Hij groet De Graaf nog wel, maar hij praat niet met hem. „Voor mij is politiek geen spelletje. Als je je publiekelijk op die manier gedraagt, ga ik dat niet sanctioneren door achter de schermen te doen alsof er niets gebeurd is.”

Al voelt hij zich, zegt hij, niet persoonlijk geraakt. „Ik ben tien jaar politieman geweest, ik kan wel dealen met hufters. Als ik boos word, is het functioneel.”

Dat hij Öztürk in een van de debatten een „rotte appel” noemde, vindt hij achteraf geen goed idee. „Ik kreeg er veel positieve reacties op, maar ik vind dat je het niet moet doen. Je verlaagt je toch tot hun niveau.”

Denk en de PVV noemen hem allebei „een wolf in schaapskleren”, zegt Marcouch. „Dat komt omdat ik hun ongelijk ben. Als je zegt dat islam en democratie niet samengaan, wat zit ik hier dan te doen in de Tweede Kamer? Mijn partij is democratischer dan de PVV. En als Denk zegt dat je met een Turkse of Marokkaanse achtergrond geen kans krijgt in de Tweede Kamer, zijn zij ook zélf hun ongelijk. Zij kregen alle ruimte in de PvdA. Maar je moet wél kunnen samenwerken.”

Als je je collega’s „belastert”, zegt Marcouch ook, wil je voor jouw kiezers dus niks bereiken. „Want dan is er bij de andere partijen niemand die jouw plannen nog wil steunen.”

Wordt het politieke debat in Nederland Amerikaans? Nee, zegt Lodewijk Asscher voordat hij op woensdagmiddag het commissiezaaltje binnengaat. „Hoe ruw en onbehouwen het hier soms ook is, het is wel altijd inhoudelijk.”

In het debat zelf klapt hij een keer in zijn handen en lacht, als Öztürk tegen de voorzitter zegt dat híj veel minder vaak het woord krijgt dan de anderen.

Op zijn werkkamer, aan het eind van het gesprek voor dit verhaal, zegt Öztürk: „Ik denk dat de anderen het míj in de schoenen schuiven.” Jammer, vindt hij. „Maar de samenleving schuift het mij niet in de schoenen. De mensen zeggen: jij bent duidelijk, jij zegt waar het op staat.”