Interview

‘De westerse mens is overprikkeld, egocentrisch en hoogmoedig’

Dirk De Wachter

Psychiater Dirk De Wachter is een beroemdheid in België, sinds hij de ziekte van de maatschappij analyseerde in Borderline Times. Ook in zijn nieuwste boek toont hij zich bezorgd over mens en wereld. „Als we niets doen gaat de boel naar de vaantjes.”

De Vlaamse psychiater Foto Wouter van Vooren/ ID Photo Agency

Een kleurrijk tapijt. Beelden. Boeken. Schilderijen. Veel glas-in-lood. Een barokke chandelier. De woonkamer van psychiater Dirk De Wachter (56) heeft iets overweldigends. „Ik sta gretig in het leven”, zegt de man die in België de bijnaam ‘Nick Cave’ heeft. Net als de Australische zanger heeft hij indringende ogen, een hoog voorhoofd en lang donker haar, maar daar houdt de vergelijking volgens hem wel op.

„Mijn burcht”, noemt De Wachter zijn huis in het centrum van Antwerpen. Hij werkt zo’n honderd uur per week, als hij thuis is wil hij liever niet gestoord worden: „U mag even naar binnen, maar straks shot ik u weer naar buiten.” De Wachter wijst naar het metershoge schilderij van de Belgische kunstenaar Helmut Stallaerts, die hem met zijn vrouw in grijstinten vereeuwigde. „In mijn burcht ben ik met háár.”

Ik ben beroemd in Vlaanderen, het kleinste vlekje op de aardbol.

Meer mensen zouden het volgens hem moeten doen: zichzelf nu en dan terugtrekken uit de overprikkelde westerse samenleving. Om te denken, te voelen en contact te maken met anderen. In zijn deze maand verschenen boek De wereld van De Wachter schrijft hij: „We zijn bang voor verveling, maar vooral van de stilte die ze met zich meebrengt. Die confronteert ons met de tijd, op een andere manier dan de drukte doet. Waar de drukte ons de illusie oplevert dat we de tijd voorbij kunnen lopen, als we maar snel genoeg zijn, haakt de stilte ons vast aan het eindige moment.”

Jarenlang vond dat soort uitspraken alleen weerklank bij zijn patiënten en studenten – De Wachter geeft ook les aan de Katholieke Universiteit Leuven. Maar sinds het succes van Borderline Times – een maatschappijkritisch boek uit 2012, waarin hij betoogt dat de scheidslijn tussen psychiatrische patiënten en gezonde mensen dunner is dan we denken – verschijnt hij bijna wekelijks op tv of in een krant of blad. „Ik ben beroemd in Vlaanderen”, zegt hij. „Het kleinste vlekje op de aardbol.”

Hoe verklaart u het succes van ‘Borderline Times’?

„Ze zeggen dat ik ingewikkelde dingen op een eenvoudige manier kan uitleggen. Ik heb jarenlang lezingen gegeven door het hele land. In culturele centra en kleine zaaltjes. Wat is anorexia, depressie, psychose en borderline? Met name over dat laatste kreeg ik steeds meer vragen: ‘U heeft het over relationele instabiliteit, dokter. Ik ben aan mijn derde huwelijk, maar ik ben toch geen patiënt?’ In Borderline Times schreef ik op wat er door de jaren heen tot mij kwam.”

Het boek was een hit, maar u kreeg ook kritiek: u zou met uw klinische blik niet de samenleving hebben mogen diagnosticeren.

„Waarom zou een psychiater dat niet mogen? De mens maakt toch deel uit van die samenleving? Borderline Times is door sommigen verward met cultuurkritiek: vroeger was alles beter. Ik zou conservatief zijn. Een trumpist. Maar allé, daar is mijn haar toch echt te lang voor.”

Een psychiater moet niet alleen vrolijk tateren, maar ook mensen naar de keel grijpen.

De toon van uw nieuwe boek is anders. Het vergt meer denkkracht van de lezer.

„Ook Borderline Times was geen eenvoudig boek, maar het werd wel zo ervaren. Mijn vrouw, die huisarts is en met haar voetjes in de praktijk staat, zegt: ‘Dirk, maak je geen illusies. Bij de helft van de mensen die Borderline Times kochten, staat het boek nog ongelezen in de kast. Ze kopen het omdat het wordt gehypet via Facebook, YouTube en Twitter’.” Hij zwijgt even. „Mijn vrouw houdt mij met beide benen op de grond. Maar om terug te komen op uw vraag: mijn nieuwe boek is inderdaad minder evident. Mijn uitgever is een beetje ongerust dat het deze keer niet gaat verkopen bij de massa.”

Foto Diego Franssens

Foto Diego Franssens

U benoemt tal van maatschappelijke problemen waarvan de oplossing niet binnen handbereik lijkt. Het boek grijpt daardoor bij de keel.

„Dat is wel de bedoeling. Een psychiater moet niet alleen vrolijk tateren, maar ook mensen naar de keel grijpen. Liefdevol, hoopvol, maar beklijvend. Als dat zou kunnen zou ik zeer tevreden zijn.”

U typeert de westerse mens als overprikkeld, egocentrisch en hoogmoedig. Is uw boek een wake-up call?

„Zeker. Ik ben bezorgd over de wereld. Het stemt mij hoopvol dat een jonge generatie mensen nadenkt over klimaat, relaties, cultuur, rechtvaardigheid en multiculturalisme. Maar ik zie ook hoe die generatie overrompeld wordt door bancair en politiek cynisme.”

De wereld is nog te redden, schrijft u, maar we moeten wel opschieten.

„Ja, als we niets doen gaat de boel naar de vaantjes. Maar zeg, nu raakt u wel aan mijn grootste angst: dat mensen een quote uit mijn boek halen en concluderen dat ik een onnozelaar ben. Cynisme is de grootste vijand hè, dat slaat alles dood.”

U heeft moeite met kritiek?

„Dat hangt ervan af van wie. Toen ik op de radio vertelde dat het geen kwaad kan als mensen een klein beetje ongelukkig zijn, reageerde een luisteraar met de woorden: ‘Ik word heel ongelukkig als ik zijn kop zie.’ Nu ja, dat deed mij weinig. Dat heeft geen grond. Maar als verstandige mensen vinden dat ik baarlijke nonsens vertel, dan doet mij dat zeer veel pijn.”

De wereld van De Wachter is een persoonlijk boek, zegt hij. Niet alleen is het een intellectuele zoektocht naar zingeving in een maatschappij die bedreigd wordt door sociologische en ecologische automutilatie – de mens is geobsedeerd door lichamelijke perfectie en verwaarloost het klimaat – in het boek uit De Wachter ook zijn angsten en twijfels. Soms lijkt het of hij bij zichzelf op de divan ligt.

‘Ik ben een beetje bang’, schrijft u in een hoofdstuk over de vluchtelingencrisis. Niet vanwege die grote stroom, maar omdat westerlingen de Ander krampachtig proberen buiten te sluiten.

Hij knikt. „In mijn boek schrijf ik dat we de keuze hebben: sluiten we de Ander buiten om ons beheersbare en meetbare beeld van de realiteit te behouden? Of laten we hem toe om onszelf te confronteren met die harde, complexe dimensie van het mens-zijn? De uitdaging wordt om die transformatie niet via bloedvergieten, geweld en oorlog te laten verlopen. Dat is ons in het verleden nog nooit goed gelukt.”

U schrijft over dingen waarvoor mensen bang zijn. Angst wordt vaak gepareerd met cynisme.

„Dat is zo. Ook ik ben een kwetsbaar mens. Cynisme is het ergste wat mij zou kunnen overkomen.”

In de gedepriveerde regio waar hij opgroeide, de Rupelstreek, hielden mensen zich niet zo bezig met psychiatrie. De steenbakkerijen gingen er in de jaren zestig stuk voor stuk over de kop. Werkloosheid vierde hoogtij. Van cultuur leek men in de Rupelstreek nooit te hebben gehoord. Het was „desolate tristesse” .

Maar het gezin waarin De Wachter opgroeide – hij heeft één broer – was liefhebbend. Zijn bescheiden vader werkte als fysiotherapeut in een ziekenhuis, zijn flamboyante moeder wilde als jong meisje het theater in, maar zette niet door toen haar katholieke familie oordeelde dat een meisje in het verderfelijke Brussel niets te zoeken had.

Het liefst was De Wachter voetballer geworden, net als zijn held George Best. Maar hij kon niet zo goed ‘shotten’ als zijn beste vriend. En toen hij maar bleef twijfelen over wat hij worden wilde, zei zijn moeder: ‘Als ge niks kunt, gaat ge maar best gewoon studeren.’

Klopt het dat u psychiatrie bent gaan studeren na lezing van ‘De avonden’ van Gerard Reve?

„In de kern is dat waar. Als klein ventje las ik al veel boeken. Geen kinderboeken – die vond ik saai – maar de encyclopedie Zoek het eens op. Mijn leraar Nederlands begreep de nieuwsgierigheid van zijn seksueel ontluikende leerlingen. ‘Er is een auteur waar jullie eigenlijk nog te jong voor zijn’, zei hij. ‘Hij heet Gerard van het Reve’ – toen nog Markies van het Reve. Nog dezelfde dag ben ik naar de bibliotheek gerend om De avonden te lenen. Met de lamp onder mijn laken heb ik het boek verslonden. Het kwam enorm binnen.”

Het is mooi als mensen iets willen bereiken, maar dan moet het op z’n minst een beetje betekenis hebben voor een ander.

Wat raakte u het meest?

„Voor het eerst las ik wat een mens denkt. Die interne dialoog… ik vond het on-ge-lóóflijk. Als ik het vertel komt dat gevoel weer terug.” Terwijl door het open raam van zijn woonkamer pianomuziek naar binnen dwarrelt, draagt De Wachter uit zijn hoofd voor:

‘Nou Frits,’ vraagt vader, ‘hoe was de dag’.

Frits zwijgt.

‘Nou Frits, hoe was de dag?’

Frits zwijgt.

‘Nou Frits, hoe was de dag?’

‘Goed, vader.’

Het deed u denken aan de gesprekken met uw eigen ouders?

Hij lacht. „Ik had liefhebbende ouders – mijn vader leeft nog. Maar over persoonlijke zaken werd thuis niet gesproken. Nu moet ik wel zeggen: dat was toen de gewoonte in het Vlaamse land.”

Hoe reageerden uw ouders toen u vertelde dat u psychiater wilde worden?

„Mijn moeder vond de psychiatrie wel interessant. Mijn vader – die opkijkt tegen artsen – had waarschijnlijk wel liever gehad dat ik chirurg was geworden: een grote villa met sportwagen voor de deur. Een buitenverblijf aan de Côte d’Azur. Dat is voor de meeste psychiaters niet haalbaar.”

In uw boek zet u zich af tegen hebberigheid. ‘Hoe beter we het materieel hebben, hoe meer we onszelf verliezen in onze gelukscocon’, schrijft u.

„Ik vind het ongebreideld nastreven van materiële rijkdom een groot probleem. Het is mooi als mensen iets willen bereiken, maar dan moet het op z’n minst een beetje betekenis hebben voor een ander. We vergeten die ander nogal eens.”

Is het een gebrek aan empathie?

„Het is denken in egocentrische structuren – iets wat Michel Houellebecq in Elementaire deeltjes prachtig heeft verwoord. Dat soort denken gaat lijnrecht in tegen het wezen van de mens. Spinoza zei het al: de mens is verbonden. Of Heidegger: de mens is met de ander.”

U noemt het ‘ikkerigheid’. Is psychotherapie daar ook niet een voorbeeld van?

De Wachter loopt naar de keuken om een karaf water te vullen. „Niets ten nadele van mijn collega’s”, zegt hij, „maar ik ben systeemtherapeut. Ik maak graag kennis met de vaders, moeders, partners en kinderen van mijn cliënten. En als zij niet in levenden lijve in mijn spreekkamer aanwezig zijn, dan toch in ieder geval imaginair. Ik spreek met cliënten over hun vader of geliefde, niet alleen over hun onbewuste.”

Praat niet alleen met psychiaters, raadt u mensen aan, maar ook met partners en goede vrienden.

„Zeker. Als iemand zich slecht voelt moet hij bij hen aankloppen: ‘Het gaat niet goed, ik heb je nodig.’ In plaats daarvan verschuilen wij ons vaak achter nieuwe media. Men zit voor dat scherm te hannesen en ziet elkaar niet meer. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?”

Je hoort het niet vaak meer: ik heb je nodig.

„Nee. Men is bang ge-defriend te worden. In plaats van een uitgestrekte hand volgt vaak afgrijzen: O jee, die zit in de knoei, brrrr. Men moet elkaar vastpakken. Echt zó – hij geeft een denkbeeldige omhelzing – bij het vel. Men moet elkaar in de ogen kijken. De oplossing voor ons verdriet is dat we het zien en durven leven. Dat we de angst durven zien en durven leven. Dat kan alleen samen met de ander.”

We durven het niet meer, elkaar in de ogen kijken?

„Nee. We kijken weg als het moeilijk is.”

U zegt eigenlijk: wij durven niet meer kwetsbaar te zijn.

„Nu ja, we schreeuwen het uit: kijk eens hoe kwetsbaar ik ben! Ik trek mijn broek naar beneden in De Wereld Draait Door! Dat is niet mijn definitie van kwetsbaarheid.”

In uw boek noemt u terreurbeweging Islamitische Staat een alternatief voor ‘het hedonisme van de instantcultuur’. Kan emotionele armoede deels verklaren waarom IS zo’n aantrekkingskracht op jongeren heeft?

„Ja, maar pas op! Mensen vinden dat soort verbanden ondraaglijk belachelijk: jongeren reizen af naar het Midden-Oosten omdat ze eenzaam zijn. En toch: een maatschappij die niet meer verbonden is zet de deur open naar aberraties, zowel in de vorm van hedonistisch escapisme, als in de vorm van fundamentalistisch geloofsescapisme. Het ene streven we na, het andere vinden we des duivels.”

Met bommen kun je die gevoelsarmoede niet wegnemen.

„Dat is juist. Maar liever dan oplossingen aandragen, stel ik vragen. Anders zat ik nu bij de NAVO. Of in de Vlaamse politiek – van uiterst links tot half rechts heeft men mij benaderd.”

U heeft voor elk wat wils?

„Ik mag hopen dat ik geen allemansvriend ben. Liever denk ik dat ik voorbij de partijpolitieke analyses kan denken.”

Het kriebelt niet?

„Nee. Een psychotherapeut kan ongebonden spreken. Voor mij is dat de ultieme positie.” Voor de derde keer die middag citeert hij uit een lied van Leonard Cohen, Bird on The Wire: ‘Like a drunk in a midnight choir/ I have tried in my way to be free’. Het zou zijn levensmotto kunnen zijn. „Ik probeer de duisternis te begrijpen.”

Dirk de Wachter: De wereld van De Wachter. Uitgeverij LannooCampus, 190 blz, € 19,99.