Opinie

De vlogger is de toekomst van de journalistiek

Opinie Pieter van den Blink leest ‘Sur la télévision’ van Pierre Bourdieu en constateert dat de ‘oude’ journalistiek verdwenen is. Maar er is hoop. Als journalisten gaan samenwerken met vloggers.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Zullen mijn kinderen nog weten wat een journalist is? Over de toekomst van de journalistiek wordt veel gedebatteerd, en steevast valt het woord digitalisering. Die toekomst lijkt niet zo gewis te zijn.

In de vorige eeuw leerde de Franse socioloog en denker Pierre Bourdieu ons dat de maatschappij uit ‘velden’ bestaat: het culturele veld, het economische veld, het wetenschappelijke veld en ook het journalistieke veld. Elk veld kent overheersers en onderdrukten; zij die de thema’s van een verkiezingscampagne bepalen versus zij die daar op moeten reageren in het politieke veld of hoofdredacteuren versus freelancers in het journalistieke veld. Elk veld is een krachtenveld, een strijdperk.

opiauteur Blink Pieter vdn

In zijn tekst Sur la télévision (1996) beschrijft Bourdieu hoe de opkomst van de televisie de verhoudingen in het journalistieke veld veranderde. Televisie kon de massa op een heel andere manier bespelen dan radio en printmedia gewend waren. Om de aandacht van het publiek moest opnieuw worden gestreden. Maar waar de televisie verandering bracht in het journalistieke veld; zorgt de digitalisering voor een verandering van het journalistieke veld. De overheersers van weleer staren hulpeloos naar hun verdienmodellen, terwijl de onderdrukten van toen aan status en invloed winnen met hun eigen Youtube-kanaal. Het is niet langer duidelijk of er nog wel een journalistiek veld bestaat, en hoe we dat moeten afbakenen.

Terwijl de gebruikers van de oude infrastructuur (verkopers en consumenten van journalistieke verhalen) elkaar in alle digitale commotie niet meer kunnen vinden, wordt de journalistiek bovendien bedreigd door „vier apocalyptische ruiters”, aldus Emily Bell, oud-journalist van The Guardian en aan de prestigieuze Columbia School of Journalism verantwoordelijk voor de afdeling digitaal.

Die vier ruiters zijn: Facebook, Apple, Google en Amazon. Vooral de eerste twee willen zich volgens Bell meester maken van de journalistiek. Facebooks instant articles (de mogelijkheid om nieuwsberichten van derden in de tijdlijn te lezen zonder Facebook te verlaten) en Apple News (een iTunes-achtige app voor nieuwsartikelen, sinds vorige week ook in Nederland beschikbaar) zijn in haar perceptie voortekenen dat voor de journalistiek de jongste dag nakende is. Want we leggen het lot van onze informatievoorziening – dat is: het lot van onze samenleving – in handen van de Mark Zuckerbergs van deze wereld, van een kleine groep individuen, die door geld worden gedreven en niet te controleren zijn. Het ergste is natuurlijk dat, als Bell gelijk heeft, er straks geen degelijk journalistiek medium meer over zal zijn om van die spectaculaire dag des oordeels verslag te doen.

Maar er is hoop. Want de journalistiek lijkt plots terug van weggeweest. Nee, het lijfblad dat op gezette tijden in de bus viel en een NOS Journaal dat nog viel te onderscheiden van de pastiche die Lucky TV er op maakt, komen niet weerom. En nee, die digitalisering gaat nooit meer weg. Sterker, in navolging van computers die romans kunnen schrijven en schilderijen van Rembrandt kunnen produceren, zullen er computers komen die journalistieke verhalen kunnen maken. Net als de verblufte toeschouwer die zo’n Rembrandt uit de printer zag rollen, zullen we die stukken lezen en stamelen: „De handtekening ontbreekt, maar de signatuur is onmiskenbaar.” In sportverslagen en filmrecensies komen ze al een heel eind, onze elektronische collega’s.

Dat mag in de oren van Emily Bell en anderen apocalyptisch klinken, ik denk dat er sprake is van een nieuwe dageraad. Die gloort niet zozeer in de voortrazende technologische ontwikkelingen of de aansluiting die wij, journalisten, mediabedrijven en mediaconsumenten, daarmee vast ooit zullen weten te vinden. Het nieuwe licht komt van ontmoetingen tussen journalisten en niet-journalisten die beiden een even grote behoefte blijken te hebben om de wereld te vertellen wat de wereld moet weten over de wereld.

Een prachtig voorbeeld van zo’n ontmoeting was die tussen presentator Matthijs van Nieuwkerk en hoodvlogger Ismael Ilgun, live op de old skool televisie. Op de tafel van De Wereld Draait Door lag het cameraatje waarmee Ilgun zichzelf en zijn hood in korte tijd beroemd had gefilmd. „Dus jij bent een journalist in Zaandam?”, vroeg de presentator.

Van Nieuwkerk is journalist: hij heeft een krant geleid, een televisiestation en sinds elf jaar DWDD. Maar nu was hij in verwarring over wie zijn vakbroeder is en wie niet. Het antwoord van Ilgun maakte die verwarring alleen maar groter, en interessanter: „Zo is het. Ik ben gewoon een jongen met een camera, that’s it, ik ben in de groep, ik zeg tegen niemand wat ze moeten doen en ik forceer ook niks, ik trek gewoon die camera en ik film gewoon, dat is gewoon puur realiteit.” Ondertussen hield hij met gestrekte arm zijn hand hoog in de lucht, de palm naar zich toegekeerd, alsof hij een selfie maakte. Want Ilgun beschouwt zichzelf als journalist („Zo is het”), maar tegelijkertijd hij is zijn eigen onderwerp. De reportage als zelfexpressie.

Ook het verhaal, eerder deze week in NRC, over de makers van het Youtubekanaal Supergaande, getuigt van zo’n ontmoeting. „Ik moet heel nodig naar het toilet, al een halfuur, maar ik durf het interview niet te verlaten. Kan ik even snel naar het toilet?”, vraagt een van hen aan de NRC-journalist. Terwijl Supergaande zo’n succes is dat „ze niet meer met de metro konden zonder aangesproken te worden door fans” – iets wat de gemiddelde NRC-journalist toch niet snel zal overkomen. Maar nogmaals, er is hoop.

Misschien kunnen er nu meer bruggen worden geslagen tussen de volstrekt gescheiden werelden van de DWDD-kijkers en de vlog-fans. Neem bijvoorbeeld Denks afkeer van de gevestigde media, als slippendragers van de macht. Je ziet het in hun filmpje ‘Trap er niet in’ op Facebook. NRC noemde dat „een frontale aanval op de media” en schreef: „De mediastrategie van Kuzu en Öztürk [de voormannen van Denk] gaat uit van twee parallelle werelden: hun potentiële kiezers lezen geen kranten en informeren zich uitsluitend via sociale media. Daarom kunnen ze zo hard uithalen: het andere geluid bereikt hun achterban toch niet.”

Het wrange aan die analyse was dat daarin uitsluitend ‘kenners van het Binnenhof’ en ‘deskundigen’ aan het woord kwamen, waardoor NRC het beeld bevestigde van die twee parallelle werelden, want ook de NRC-lezers kregen het andere geluid niet te horen.

Ik heb de journalistiek, behalve als mooiste vak, altijd gezien als een belangrijke schakel in de ‘maatschappelijke conversatie’: de uitwisseling van nieuws, meningen en verhalen die maakt dat wij mensen een samenleving kunnen vormen. Spat die conversatie uiteen en sluit elk van ons zich op in z’n eigen ‘waarheidsbubbel’, dan heb je al snel geen samenleving meer.

Iemand die bereid is een half uur lang zijn plas op te houden om de kennismaking te laten slagen, verdient het om met open armen te worden verwelkomd. Waarmee ik wil zeggen dat op die brug die nu hopelijk wordt gebouwd, de conversatie tussen de waarheidsbubbels kan worden hervat.

De verwarring over wie wel journalist is en wie niet, moet echter niet te lang aanhouden. Een duidelijk afgebakend journalistiek veld zoals Bourdieu voor zich zag, is er niet meer en zal ook niet terugkeren. Maar als sommigen van ons het instrumentarium hebben om journalistieke verhalen te maken (feit en fictie niet mengen, zorgvuldigheid betrachten, hoor en wederhoor toepassen, je bronnen beschermen, enzovoort) en anderen de weg kennen naar de plaatsen in de samenleving waar die verhalen over moeten gaan, dan moeten wij samenwerken. In die samenwerking zal nieuwe, krachtige journalistiek ontstaan.