Recensie

Bij White Lies valt nu weinig te beleven

Pop White Lies. Gehoord 13/10 Paradiso, A’dam. Herh. 14/10 Nijmegen.

2

„Let’s grow old together!” Een slimmer refrein dan dit, van het debuutalbum van de Engelse band White Lies, werd zelden geschreven. Zeven jaar later is het nog steeds de meest uitbundig meegezongen regel bij hun concerten, waarmee met de mantel der liefde bedekt wordt dat de band uit West-Londen op die eerste plaat geobsedeerd was door de dood, begrafenissen en sombere gedachten.

Het is een vreemde gewaarwording de toen met de post-punk van Joy Divison en Editors vereenzelvigde band nu terug te zien als een frisse, blije popgroep. Het vierde album Friends bevat publieksvriendelijke synthesizerpop die op maat gemaakt is voor grotere zalen dan het uitverkochte Paradiso, waar de bassen op olifantsvolume de zaal in gepompt werden en drums als een kudde nijlpaarden langs de horizon dreunden.

Zong Harry McVeigh altijd zo onzuiver en nasaal? Dat laatste hoort bij hun muziek, maar de hoge tonen kon hij duidelijk niet aan en het volume moest verhullen dat er muzikaal niet zo veel te beleven valt. Wat overbleef was de merkwaardige mix van sombere teksten en montere zanglijnen, waarbij het nieuwe Summer Didn’t Change a Thing er uit sprong als hun volgende festivalfavoriet.