Recensie

Bang zijn voor de grote boze wolf

Non-fictie

Sinds de oudheid zit de angst voor wolven er goed in. Juist dat ontzag doet het verlangen naar het wilde dier groeien.

Ook

Vormen wolven een bedreiging, komen ze straks in roedels de grens met Duitsland over om onze schapen en kinderen te roven? Moeten we hekken gaan plaatsen? Als het aan schrijver Dik van der Meulen ligt zijn wolven niet gevaarlijker dan al het andere dat de mens naar het leven staat. Op bladzijde 322 van zijn boek Kinderen van de nacht met als veelzeggende ondertitel Over wolven en mensen geeft hij een even intrigerende als curieuze opsomming van dat wat ‘wereldwijd oneindig meer leed veroorzaakt dan wolven’. Het zijn vooral ‘huishonden’ die voor veel ongerief zorgen, van dezelfde categorie als ‘infecties, virussen, moord en doodslag, oorlog, overstromingen of droogtes’ en wat ook voor veel leed zorgt zijn de ‘WK-finale, burengerucht, commerciële televisiezenders...’ Enzovoort.

Huishonden komen er in Van der Meulens boek overigens bekaaid vanaf: wolven, dat zijn de echte dieren, wild en ongetemd. In hun ogen flonkert een geheimzinnige, gele schitter. Ze huilen bij nacht. En van de zo geroemde trouw van huisdieren moet de auteur niet veel hebben.

Van der Meulen spotte zijn eerste wolf (Canis lupus) bij Yellowstone Park, Noord-Amerika. Hiermee begint zijn boek, met de woorden: ‘Het lopen’. Dit motief zal vaker terugkomen: de soepele bewegingen in het moeiteloze ritme, alsof ze dansen. Hiermee kunnen wolven honderden kilometers overbruggen. De huishond is niet meer dan een strompelaar.

Een originele opsomming als deze maakt duidelijk dat Van der Meulens boek zich beweegt buiten de geijkte paden. Zijn wolvenboek is biologische studie en cultuurhistorische verhandeling ineen; het biedt antropologische perspectieven als het gaat om de moeizame verhouding tussen mens en wild dier door de eeuwen heen. Bovendien is het een persoonlijke zoektocht naar de wolf. Bij wijze van proloog beschrijft Van der Meulen dat hij als kind naar Peter en de wolf luisterde, het beroemde muzieksprookje van Sergej Prokofjev. Drie donker gestemde hoorns verbeelden het huilen van de wolf. Het dier is zozeer uit onze contreien verdwenen, betoogt Van der Meulen, dat hij een soort fabel is geworden, zoals de vuurvogel, draak en centaur. Maar in evolutionair opzicht is de wolf ook de voorvader van de hond: wereldwijd lopen er „een paar honderd miljoen gedomesticeerde wolven rond”, aldus Van der Meulen. En met lichte ironie voegt hij eraan toe: „Maar wie denkt bij pekinezen, middenslagschnauzers of poedels nog aan hun voorhistorische stamouders?”

Het sprookje over Peter en de wolf legt het fundament voor het hele boek. Roodkapje komt in vele variaties voorbij, zelfs erotisch getint waarbij angst en seksualiteit een geheim wolfachtig verbond sluiten. We huiveren bij weerwolven, deze wolf in mensengedaante. Met de auteur reizen we mee naar de Efteling met zijn sprookjeswolven en naar hedendaagse wolfers, wolvenliefhebbers, onder wie de vooraanstaande pianiste Hélène Grimaud die zich ontfermt over het lot van de wolf en een wolvenranch runt bij New York.

De stamouders van die tamme huishonden joegen mensen schrik aan. Meer dan welk dier ook is de wolf gevreesd. Vos, beer, hyena, lynx of das kunnen er niet aan tippen. Van der Meulen geeft een strak stramien aan zijn boek. Elk historisch hoofdstuk, bijvoorbeeld over graaf Dracula en zijn liefde voor wolven, of de wolvenjacht tijdens de middeleeuwen in de Zuidelijke Nederlanden, opent met een bezoek aan de bewuste plekken. Vandaaruit graaft hij diep in het verleden. De hoofdstukken over angst voor wolven en de bestrijding ervan zijn bloedstollend, zó gehaat is het dier. Wolfskuilen, drijfjachten op de wolf zoals de Engelse vossenjacht en tal van andere wrede methoden om het dier uit te roeien hebben van de wolf een nachtdier gemaakt, een schemerbeest dat zich trots en ongenaakbaar ver van de mens houdt.

Glorieuze rentree

Maar daarin is een kentering gekomen. Meer dan 150 jaar geleden is de laatste wolf in Nederland doodgeschoten en nu maakt hij zijn glorieuze rentree, althans, dat is de vrees van teergevoelige mensen en schapenhouders. Maar vooral ook de hoop van tal van natuurbeschermers. Als de wolf terug is, dan heeft Nederland zijn eigen wildlife. ‘De angst voor wolven, ergens in de oudheid ontstaan en tot bloei gekomen in de middeleeuwen, is nooit helemaal verdwenen’, schrijft Van der Meulen, ‘Hoe grillig, onduidelijk en onbetrouwbaar de bronnen uit het verre verleden ook zijn, er is nauwelijks twijfel over het gevaar dat van wolven kon uitgaan.’ Juist dat ontzag doet het verlangen naar de wolf ontvlammen. Wildbeheerders in Yellowstone Park zijn euforisch: ze hebben ontdekt dat waar de wolf verschijnt, de natuur er met sprongen op vooruitgaat in veelzijdigheid, ofwel biodiversiteit. Een voorbeeld uit de vele: prooidieren als reeën en herten zullen, door de aanwezigheid van wolven, steeds rustelozer worden en zich gaan verspreiden. Hierdoor wordt overbegrazing op bepaalde plekken tegengegaan. Een vergelijkbaar voordeel – een win-winsituatie – zou zich voordoen als er wolven ingezet zouden worden in de Amsterdamse Waterleidingduinen om de overlast door damherten tegen te gaan. Wolven als natuurbeheerders, dan zijn er geen jagers nodig. Van der Meulen analyseert haarscherp de berichten rondom wolven, waaronder zeer vermakelijke. Mensen zien wat fors uitgevallen honden, die zich in het duister voortbewegen, graag voor wolven aan. In juli 2013 werd een echte ‘wilde wolf’ gevonden bij Luttelgeest in de Noordoostpolder, een dood dier. Onderzoekers van Naturalis in Leiden identificeerden het beest als een wolf, een Nederlandse nog wel, via de Weerribben doorgedrongen op eigen grondgebied, maar dat was fout. Deze Wolf van Luttelgeest was in Oost-Europa geschoten – kogels in het lichaam bewezen dat – en als macabere grap gedumpt langs de weg.

Nederland wil de wolf terug. Het Roodkapje-syndroom of de angst voor de wolf is geluwd. Wolven zijn de icoon van de nieuwe wildernis, van de robuuste natuur. Van der Meulen laat zich ook verleiden tot een tocht naar Noordoost-Groningen in maart 2009, waar een wolf is gesignaleerd. De politie is uitgerukt met een karavaan wolventoeristen en -kenners in het kielzog. Er zijn zelfs meldingen van een wolf die doodgemoedereerd een winkelcentrum bij Hoogezand binnenwandelt.

Waar begint fantasie en eindigt werkelijkheid? Van der Meulen zal als eerste erkennen dat wolven zich het liefst ver van de mensen houden die de wolf willen omarmen, knuffelen zelfs. Alsof mensen verwantschap voelen met dit vreemde dier dat tot eeuwenlang tot griezelen uitnodigde. Maar vanaf nu niet meer.