Recensie

‘Al mijn woorden zitten in mijn songs’

De bard

Dylans teksten werden steeds dienstbaarder aan zijn muziek.

Bob Dylan, die donderdag de Nobelprijs voor Literatuur kreeg, vond het onzin dat zijn naam al zo’n twintig jaar werd genoemd voor die prijs. Toen hem in 2001 tijdens een persconferentie werd gevraagd of hij de discussie over zijn kandidatuur volgde, zei hij: „Ik heb er iets over gehoord. Dat zou me in dezelfde categorie plaatsen als Ernest Hemingway en John Steinbeck. Ik weet niet zeker of ik in dat gezelschap thuishoor.”

De Zweedse Academie denkt daar anders over en bekroont hem wegens ‘nieuwe poëtische uitdrukkingen binnen de Amerikaanse zangtraditie’. Met zijn grensverleggende en invloedrijke oeuvre geldt Dylan, geboren als Robert Allen Zimmerman (Duluth, Minnesota, 1941), als de man die in de vroege jaren zestig een nieuwe intelligentie door de popmuziek liet waaien. Zijn songteksten zijn poëtisch, surrealistisch, ver weg van de toen gangbare praktijk van rimpelloze liefdesliedjes. Met songs als ‘Blowin’ In The Wind’ en ‘A Hard Rain’s A-Gonna Fall’ gaf hij een stem aan de protestgeneratie. Zelf houdt hij zich verre van het begrip ‘protestzanger’ en noemt hij zich een ‘song and dance man.’

Dylans muziek is diep geworteld in de Amerikaanse folk- en bluestraditie. Op zijn debuutalbum zong hij nog vooral traditionals, naast zelfgeschreven nummers als ‘Song for Woody’ waarmee hij van zijn schatplichtigheid aan folkzanger Woody Guthrie getuigde. Hij is de troonopvolger van ‘beat poets’ als Jack Kerouac en Allen Ginsberg. Als hij niet op zijn gitaar speelde, was hij bijna altijd te vinden achter een typemachine, waar hij zijn associatieve en woordrijke teksten in een stream of consciousness op papier zette. Gaandeweg vond hij zijn stem in teksten, met als een van de hoogtepunten het bloemrijke ‘Like a Rolling Stone’ waarmee hij in 1965 de top van de hitparades haalde.

De overstap van akoestische naar elektrische muziek die hij in dat jaar maakte, was controversieel. Folkpuristen vonden dat Dylan hiermee zijn oorsprong verloochende. In de tweede helft van de jaren zestig werden zijn teksten steeds dienstbaarder aan de muziek. In 1970 bracht hij het woordloze ‘Wigwam’ uit 1970, een boodschap aan fans die hem regels wilden opleggen.

Met door relatieproblemen geïnspireerde albums Blood on the Tracks en Desire ontsteeg Dylan omstreeks 1975 aan de navelstarende popcultuur, met onder meer bevlogen vertellingen uit de imaginaire western die zijn leven als publieksschuwe popster geworden was. Met ‘Hurricane’ en ‘George Jackson’ keerde Dylan nog eenmaal terug naar individueel getint protest. In latere jaren werd hij met songs als ‘Blind Willie McTell’ (1991) en ‘The Levee’s Gonna Break’ (2006) de chroniqueur van een Amerika dat niet meer bestaat, inhakend op zijn hervonden liefde voor oude muziekstijlen als blues en western swing.

Gevraagd of hij zich als een dichter zag, zei Dylan in 2001 dat hij zich gebonden voelde aan de eisen die de muziek stelt. „Ik ben niet iemand die zomaar teksten op papier zet. Al mijn woorden zitten in mijn songs. Een popsong moet aan bepaalde voorwaarden voldoen en het heeft geen zin om er een ideologische lading aan te verbinden. Ik weet dat mensen hun idealen op mijn muziek projecteren, maar zelf hou ik me daar verre van.”