Op fotojacht door de stad in 1900

Fotografie

Het Stadsarchief ontdekte enkele unieke foto’s van een ruim een eeuw geleden. Ze zijn nu voor het eerst te zien.

Sarphatistraat, ca. 1890, fotograaf J.E. Rombouts ©

Een verstilde stad met lege straten en ingetogen grachten: dat was Amsterdam voor 1900. Althans, op foto’s. Maar snel kwam de kentering. De gefotografeerde hoofdstad veranderde in een werveling van beweging. Betrekkelijk kleine, handzame cameraboxen maken hun entree en fotografen konden foto’s ‘schieten vanuit de heup’. De eeuwwende markeert een explosief groeiende stad, vastgelegd door een groeiend leger aan fotografen, zowel professionals als amateurs. Zie eens de trots van de stad in aanbouw, zoals de koepel van Hirsch & Cie op het Leidesplein, in 1913.

Van verstilling naar dynamiek: dat zou de ondertitel kunnen zijn van de fototentoonstelling Amsterdam 1900. Foto’s van Olie Breitner Eilers en tijdgenoten in het Stadsarchief Amsterdam. Conservator Anneke van Veen, auteur van het gelijktijdig verschenen boek, bestudeerde meer dan 5.000 foto’s uit de eigen collectie, uit bibliotheken en van particulieren. Ze deed bijzondere ontdekkingen, zoals dat gaat met schatgraven in archieven. Van Breitner was bekend dat foto’s hem inspireerden tot zijn schilderijen. De vondst van enkele onbekende Breitner-foto’s vormt de schakel met twee beroemde schilderwerken. Zoals de twee witte werkpaarden in een bouwput. Daar staan ze, eerst gefotografeerd en later geschilderd. Het is voor het eerst dat deze foto wordt tentoongesteld. Dat geldt ook voor de foto van het gezicht op de Dam uit 1896-1897, een voorstudie voor het olieverfschilderij De Dam (1898).

Breitner was een fotograferende wandelaar. In het jaar dat hij begon met fotograferen, 1889, kon hij beschikken over de eerste draagbare Kodak-camera’s. Breitner zocht in het wonder van de nieuwe uitvinding naar inspiratiebronnen voor zijn schilderkunst: hij maakte snapshots, onderzocht visuele effecten als tegenlicht, afsnijding , beweging en atmosfeer. Tijdens een rondleiding op de expositie geeft Anneke van Veen een interessante wenk. Ze wijst op enkele foto’s waarbij opvalt dat de camera een laag perspectief kiest, ter hoogte van de zoom van een jas bijvoorbeeld. „Kijk maar, de fotograaf hield de camerabox aan zijn gestrekte arm. Hij keek van bovenaf in de zoeker en drukte vervolgens af. Hierdoor kon hij onopvallend fotografen.”

Dat laatste was belangrijk. Omstanders in die tijd wilden beslist niet zomaar vastgelegd worden. „Over het algemeen is het fotografeeren in bewoonde streken niet heel aangenaam”, waarschuwde J.E. Rombouts in zijn Handboek der practische fotografie (1906). „Zoodra het toestel is opgezet, bevindt men zich in een kring van toeschouwers”. En deze konden de foto behoorlijk ‘bederven’. De nieuwe fotografie kon zijn vleugels uitslaan dankzij vernuftige technische ontwikkelingen, die elkaar razendsnel opvolgden. Dankzij de sluitertijd van 1/100 seconde werd de levendige foto usance. De fotografie werd vergeleken met de jacht en de fotograaf met de jager.

Bij entree van de expositie hangt een imposante blow-up van het Centraal Station, naar een foto van Jacob Olie uit 1890. In werkelijkheid betreft het drie opnamen die de fotograaf aan elkaar monteerde tot een panorama, niet meer dan 30 centimeter lang en 10 centimeter breed. De scherpte en vooral de geroemde scherptediepte is ongekend. De toeschouwer kan zo in deze foto opgaan en de bijbehorende geluiden klinken: klokken, paarden die hinniken, het geluid van werklui. Het fiere, gloednieuwe Centraal Station pronkt als een kasteel aan het plein met ertegenover de ook al nieuwe Sint Nicolaaskerk. In het midden rijst een telegraafmast op met zijn grafische vormen. We zien dienstmeisjes, schippers, karrenvoerders. En rechts, bomen. Ja, tegenover het station lag ooit een stadspark.

In Amsterdam leefde een bloeiende Amateur Fotografen Vereeniging, waarvan de 150 leden artistieke aspiraties hadden. Ze gingen op fotojacht door de stad. Als we meekijken met hun ogen en hun camera’s dan zien we hoe in het fin de siècle de stad zich toont als in twee werelden. De groten van de vroege fotografie, Jacob Olie, George Hendrik Breitner en Bernard F. Eilers, brengen telkens het stadsschoon in beeld alsof ze een hommage brengen. Ze vinden geometrische patronen in het ritme van daken vanaf een hoge positie, de kerktorens, de nieuwe tijd die aanbreekt met heimachines en scheepsbouw.

Er is ook sociale bekommernis. De aangrijpende reeks ‘Donkerst Amsterdam’ laat wantoestanden zien van grauwe mensen in krotwoningen. Fotografie hielp de wereld vooruit. Geleidelijk maakt het zwart-witte Amsterdam plaats voor kleur. De heel poëtische photochromes of autochromes tonen de stad in kleuren en dan staat daar de Montelbaanstoren met blauw grachtenwater aan zijn voet, het groen van de bomen en het baksteen in vele tinten. Zo was het, in 1895. Autochromes ofwel kleurbeelden op glasnegatief, zijn kwetsbaar en het is dan ook een unicum dat het Stadsarchief enkele beelden een week lang tentoonstelt.

Met de snelle fotografie kwam ook de persfotografie op. In de vrijdagnacht van 20 februari 1890 brandde de Stadsschouwburg af. De Amsterdamsche Courant van die maandag drukt een foto af van de bluswerkzaamheden, prominent op de voorpagina. Het is ongelooflijk, maar op de foto lijkt het of de vlammen nog altijd uitslaan. De vuurgloed brandt en zindert in helwitte vlammen.

Amsterdam 1900. Foto’s van Olie Breitner Eilers en tijdgenoten. Stadsarchief Amsterdam, t/m 5/2. Catalogus: Uitgeverij Thoth, € 29,95.