Op ‘den akker des doods’ werd toch niet iedereen elkaars gelijke

Begraafcultuur

De Nederlandse begraafplaats was vroeger een afspiegeling van de standenmaatschappij. Rijke buren werden ook na hun dood weer elkaars buren.

Graf van de familie van Foto Maurice Heemels

Het beroemdste monument op begraafplaats Nabij Kapel in ’t Zand in Roermond is ‘het graf met de handjes’. De katholieke jonkvrouwe Josephine van Aefferden en de protestantse kolonel Jacob van Gorkum durfden het in het midden van de negentiende eeuw aan om een gemengd huwelijk aan te gaan. Na hun dood werden ze elk op een ander deel van de begraafplaats begraven: hij op het protestantse stuk, zij in de gewijde grond van het katholieke gedeelte. Maar meer dan een muur scheidde hun graven niet en daar overheen reikten hun zerken, alle religieuze geschillen negerend, elkaar de hand.

En toch, niet verschil in geloofsovertuiging maar standsbesef liet de duidelijkste sporen na in de samenleving van die dagen. Na het overlijden was dat niet anders.

Historicus Maurice Heemels heeft voor de titel van zijn proefschrift over de Roermondse begraafcultuur tussen 1870 en 1940 waarnemingen van de doopsgezinde predikant Jacob Craandijk gebruikt. Die deed bij zijn wandelingen door Nederland ook de Midden-Limburgse stad aan en constateerde dat op het katholieke deel van de begraafplaats smaakvolle gedenktekens stonden. Hij leidde er uit af dat „ook op den akker des doods, waar allen gelijk worden, de adeltrots zich niet ganschelijk kan verloochenen”.

Na zijn minutieuze onderzoek naar de begraafpraktijken van destijds kan Heemels predikant Craandijk alleen maar gelijk geven. „De begraafplaats was een afspiegeling van de standenmaatschappij bij leven. Mensen uit de gegoede straten werden ook na hun overlijden weer elkaars buren. Hetzelfde gold voor de mensen uit de achterbuurten.”

Tot begin negentiende eeuw wemelde het in Nederland van de slecht verzorgde begraafplaatsen. Daarna veranderde dat, ook in Roermond. Een chic grafmonument werd een teken van burgerlijk zelfbewustzijn. De begraafplaats kende drie en later zelfs vier klassen. De elite liet zich bovendien begraven met meer vertoon: drieherenmissen, een kerk vol rouwversiering en kaarsen, een indrukwekkende stoet, missen voor het zielenheil na de uitvaart. Alleen de meest vooraanstaande burgers konden zich dat veroorloven.

Rond 1870 bekritiseerde de plaatselijke schrijver Emile Seipgens het onderscheid in een scherp dialectgedicht: de ziel van de arme moest in het vagevuur blijven smachten, terwijl die van de rijke met veel ceremonieel richting hemel werd afgeschoten.

Begin twintigste eeuw wisten ook minder aanzienlijke Roermondenaren volgens Heemels „langs de begraafladder omhoog te klimmen”. Dat had niet alleen te maken met de positie en welvaart die ze zich bij leven hadden weten te verwerven. „Een graf op stand was nog meer dan voorheen iets nastrevenswaardigs, een statussymbool.”

Maurice Heemels – Op den akker des doods, waar allen gelijk worden. Begraafcultuur in Roermond, 1870-1940. Uitgeverij Verloren.