Recensie

Fout rechts is erger dan fout links

Veranderende opvattingen

De cineast Joris Ivens heeft nog altijd bewonderaars, de eens populairste politicus van Nederland, Joseph Luns, niet. De historicus Martin Bossenbroek probeert te achterhalen waarom.

Demonstratie tegen de Foto Freddy Rikken

Op 21 november 1981 was de historicus Martin Bossenbroek (1953) een van de ongeveer 400.000 deelnemers aan de demonstratie in Amsterdam tegen de plaatsing van kruisraketten door de NAVO in Nederland. ‘Het voelde machtig belangrijk’, schrijft hij over zijn toenmalige gevoelens als gutmensch avant la lettre in Fout in de Koude Oorlog. Nederland in tweestrijd. ‘Publieke erkenning. Het was niet voor niets geweest. Ik had werkelijk mijn steentje bijgedragen aan de goede zaak, zoals die door de organisatoren van de demonstratie ambitieus was samengevat in de slogan: ‘‘Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland”.’

Vijfendertig jaar later denkt Bossenbroek, wiens De Boerenoorlog in 2013 werd bekroond met de Libris Geschiedenisprijs, er heel anders over: ‘Ach ja, naïef waren we, ongelooflijk naïef,’ schrijft hij in de losse, spreektaalachtige stijl die het boek kenmerkt. Nu stelt hij vast dat de demonstratie zich uitsluitend richtte tegen de kernwapens van de Verenigde Staten, hoewel dit land toch, hoe je het ook wendde of keerde, de grootste democratie was. ‘De impliciete boodschap was dat de Sovjet-Unie, een onverbiddelijke dictatuur met een verklaarde afkeer van de westerse democratische waarden, meer vertrouwen inboezemde dan de Verenigde Staten.’

De verbazing over de naïviteit van zo veel Nederlanders (inclusief hemzelf) is vermoedelijk de aanleiding voor Bossenbroek om de geschiedenis van ‘goed’ en ‘fout’ tijdens de Koude Oorlog te beschrijven. Dit doet hij aan de hand van de levens van de ‘rechts foute’ Joseph Luns (1911-2002), de politicus van de Katholieke Volkspartij die van 1956 tot 1971 minister van Buitenlandse Zaken was en vervolgens tot 1984 secretaris-generaal van de NAVO, en van de ‘links foute’ Joris Ivens (1898-1989), de cineast wiens oeuvre grotendeels bestaat uit propagandafilms voor communistische dictaturen.

Hun levensbeschrijvingen heeft Bossenbroek op een knappe, caleidoscopische manier verweven met wat hij ‘close-ups’ en ‘panorama’s’ noemt van de algemene politieke ontwikkelingen en de veranderende opvattingen over ‘goed’ en ‘fout’ tijdens de Koude Oorlog. Zo behandelt hij in het hoofdstuk ‘Panorama Fout Midden’, onder meer, de Grote Drie van de naoorlogse Nederlandse literatuur, van wie W.F. Hermans en Gerard Reve ‘rechts fout’ waren en Harry Mulisch ‘links fout’.

NSB

Inzake ‘goed’ en ‘fout’ hebben Luns en Ivens levens geleid die met elkaar contrasteren. Luns was lange tijd de populairste politicus van Nederland, maar na het midden van de jaren zestig werd hij voor links Nederland wegens zijn anti-communisme, conservatief katholieke opvattingen en onvoorwaardelijke steun aan de Verenigde Staten in de oorlog in Vietnam, de belichaming van ‘rechts fout.’

De onthulling in 1979 van Loe de Jong, de nationale geschiedschrijver van de Tweede Wereldoorlog, dat Luns van 1933 tot 1936 lid was geweest van de NSB zorgde ervoor dat voor hem na zijn afscheid van de NAVO nog slechts de rol was weggelegd van rechtse mopperaar. Zelfs door politici van de christelijke partijen werd hij nauwelijks meer serieus genomen en ondanks zijn grote staat van dienst werd hij geen minister van Staat.

Ivens heeft zich altijd als de grote kunstenaar gepresenteerd die niet alleen een niet gehoorde profeet in eigen land was, maar ook werd tegengewerkt door de Nederlandse staat wegens zijn film Indonesia Calling (1947). Pas in de jaren tachtig kreeg hij de erkenning waar hij recht op meende te hebben en groeide hij uit tot het troeteldier van de Nederlandse filmwereld. Ook staatsdienaren van christelijken huize kregen spijt van de vermeende tegenwerking. In 1985 ging de toenmalige CDA-minister van Cultuur Elco Brinkman in hoogsteigen persoon naar Parijs om Ivens een Gouden Kalf, de prijs van het Nederlands Filmfestival, uit te reiken voor zijn gehele oeuvre. Tegen het einde van zijn leven werd zelfs De Telegraaf mild over ‘Nederlands grootste filmer’.

Massamoordenaars

Bij zijn beschrijving van Ivens’ levensverhaal leunt Bossenbroek zwaar op Gevaarlijk Leven (1995), de biografie van Ivens van filmhistoricus Hans Schoots. Hierin liet Schoots (1950) lezen dat Ivens een groot deel van zijn leven zonder scrupules heeft gewijd aan het maken van propaganda voor de buitengewoon moordzuchtige regimes van Stalin en Mao. Ook toonde hij aan dat Ivens, anders dan hij altijd zelf had beweerd, nauwelijks was tegengewerkt door de Nederlandse staat. Het was Ivens zelf die in Australië in 1945 ontslag had genomen als Film commissioner for the Netherlands East-Indies en vervolgens Indonesia Calling maakte, waarin hij de kant van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders koos. Toch kreeg hij een warm onthaal toen hij in 1947 naar Nederland terugkeerde. Van het ministerie van Kunsten en Wetenschappen kreeg hij zelfs het verzoek om de Nederlandse filmindustrie op poten te zetten. Maar hij koos ervoor om naar Oost-Europese landen als Tsjecho-Slowakije te gaan om tien jaar lang in beeld te brengen welk heilzaam werk de door Stalin geïnstalleerde communistische regimes daar aan het verrichten waren.

Schuldgevoel

Schoots heeft zijn biografie nu aangevuld met het pamflet Ivenspolitiek, waarin hij uiteenzet hoe de Ivens-bewonderaars onder leiding van zijn Franse weduwe Marceline Loridan het misplaatste schuldgevoel van de Nederlandse overheid langdurig hebben uitgebuit na Ivens’ dood in 1989. Zo besloot de toenmalige minister van WVC Hedy d’Ancona al in 1992, tegen het advies van de Raad van Cultuur in, de door Loridan opgerichte Europese Stichting Joris Ivens een subsidie toe te kennen van maximaal 250.000 gulden per jaar. Vier jaar later wilde de staatssecretaris voor Cultuur Aad Nuis de subsidie staken, maar een door bekende regisseurs als Wim Wenders en Edgar Reitz ondertekende petitie waarin werd gewezen op ‘de hoge prijs die Ivens had moeten betalen voor zijn solidariteit met socialistische landen’, deed hem van gedachten veranderen. In totaal heeft de Stichting Joris Ivens tot 2014 meer dan tweeëneenhalf miljoen euro overheidssubsidie gekregen, heeft Schoots berekend.

Aan het einde van Fout in de Koude Oorlog probeert Bossenbroek de vraag te beantwoorden waarom Ivens nog altijd bewonderaars heeft en Luns niet. Oftewel: waarom is ‘fout rechts’ erger dan ‘fout links’? Het antwoord is simpel: dit komt doordat nazi’s in het algemeen als ‘fouter’ worden beschouwd dan communisten. De Duitse bezetting heeft tot de dag van vandaag het collectieve bewustzijn van Nederland bepaald. Dat Stalin en Mao met Hitler vergelijkbare massamoordenaars waren, is nooit helemaal tot Nederland doorgedrongen, schrijft Bossenbroek: ‘Nazi’s zijn erger dan communisten. De door hen bedreven gruwelen zijn per definitie beestachtiger. Want zelf meegemaakt. Zeker sinds de ergste atoomdreiging in de loop van de jaren zestig geleidelijk aan afnam, is die mantra er steeds dieper ingesleten. Nazi’s, fascisten, NSB’ers – ook al waren het ‘‘vroege”? Absoluut abject. Communisten? Hmm, voordeel van de twijfel, afwachten hoe het uitpakt, waarschijnlijk bedoelen ze het goed. In dit verschil ligt de algemene verklaring voor de contraire populariteitscurves van Joseph Luns en Joris Ivens.’