Bob Dylan wilde altijd de outsider zijn

Om de paar jaar voorzag Dylan zich van een nieuw imago. Bij elke muzikale ommezwaai die hij maakte, slaagde hij erin om nieuwe fans te werven en oude van zich te vervreemden

Bob Dylan in Londen in 1965. Foto AP

‘It’s Halloween, and I got my Bob Dylan mask on,’ grapte Bob Dylan in 1963 tijdens een concert in Carnegie Hall. Onvoorspelbaarheid is altijd zijn kenmerk geweest, en op een bijna obsessieve manier voorzag hij zichzelf om de paar jaar van een nieuw imago. Bij elke muzikale ommezwaai die hij maakte, slaagde hij erin om nieuwe fans te werven en oude van zich te vervreemden.

Als de Geëngageerde Minstreel werd hij op handen gedragen door de folkies – totdat hij de protestliederen afzwoer en zich ‘verkocht’ aan de rock-’n-roll. Aan het eind van de jaren zestig verloochende hij volgens velen zijn roeping als Kritische Popster door zich in te laten met zoiets hersenloos als country-and-western. Tien jaar later schokte hij zijn trouwste volgelingen door zich te bekeren tot Jezus en over te gaan tot het zingen van gospels. Daar hield hij een paar albums later weer mee op, maar toen kwam hij opeens met een kerstalbum waaraan werkelijk álles traditioneel was.


Dylans voortdurend veranderen van perspectief was een provocerend spel met de verwachtingen van zijn publiek; tegelijkertijd maakte hij zichzelf zo tot de outsider die hij graag wilde zijn. Afstandelijk en aan niemand verantwoording schuldig, kon hij de verwording van Amerika becommentariëren en aangeven wat er zijns inziens moest veranderen. Telkens wanneer zijn fans hem hadden afgeschreven, kwam hij terug met een nieuwe boodschap, verpakt in weer andere muziek. Maar geen transformatie is zó indrukwekkend en controversieel geweest als zijn overgang van de akoestische naar de elektrische gitaar, van de folk naar de rock.

Wat inspireerde Bob Dylan en hoe hoor je dat? Bekijk het schema van Pieter Steinz.

Weggefloten

We schrijven 1965. Dylan is teruggekeerd van een tournee in Engeland, waar hij – zoals later zal blijken – de laatste akoestische concerten van zijn carrière heeft gegeven. Midden juni schrijft hij de tekst voor ‘Like a Rolling Stone’, een liedje over een hooghartig meisje (volgens de verhalen geïnspireerd op Warhol-diva Edie Sedgwick).

De energieke ballade wordt een maand later door hem voor het eerst – met snerpende elektrische gitaarbegeleiding – uitgevoerd op het traditionele Newport Folk Festival, tot woede van het conservatieve publiek. Het is het tweede nummer van een halve set die maar drie nummers zal duren – na een rudimentaire versie van ‘It Takes a Lot to Laugh, It Takes a Train to Cry’, dat een maand later een van de hoogtepunten blijkt van zijn nieuwe album Highway 61 Revisited. Dylan wordt van het podium gefloten en keert na veel gedoe terug voor twee ‘toegiften’, waarvan ‘It’s All Over Now, Baby Blue’ wel heel toepasselijk is.


Als op 30 augustus 1965 Highway 61 Revisited verschijnt, is duidelijk dat Dylan iets heel anders wil laten horen dan de folk van zijn eerste platen. Het begon op kant A van Bringing It All Back Home (maart 1965), maar nu gaat Dylan echt los. Highway 61 Revisited rockt als een bezetene, met nummers als ‘Tombstone Blues’ en het titelnummer, terwijl de teksten ruim baan geven aan de woeste literaire associaties die Dylan in sommige kringen kandidaat hebben gemaakt voor de Nobelprijs voor literatuur. De vrije, associatieve verzen van ‘Ballad of a Thin Man’ en ‘Queen Jane, Approximately’ zijn te vergelijken met de lyriek van Walt Whitman en Carl Sandburg, terwijl zijn apocalyptische impressies van de Amerikaanse samenleving in het elf minuten durende ‘Desolation Row’ de critici deden denken aan het werk van Allen Ginsberg en Nathanael West.

Vorige week verscheen het boek Bob Dylan Compleet, een exegese van ruim twee kilo

Literaire verwijzingen

De literaire verwijzingen beperkten zich in deze periode van zijn carrière trouwens niet tot zijn teksten; door een Playboy-interviewer werd hij omschreven als ‘an updated, undernourished Huck Finn’, en door een New York Times-recensent als ‘Holden Caulfield who got lost in the Dust Bowl’. Maar de toepasselijkste parallel kwam van Jack Newfield, die in een Village Voice-artikel concludeerde: ‘If Whitman were alive today, he too would be playing the electric guitar’.

Zoals Walt Whitman in het midden van de negentiende eeuw brak met het academisme in de Amerikaanse poëzie en poseerde als de democratische bard die informele gedichten schreef voor iedere Amerikaan, zo presenteerde Dylan zichzelf als een woordkunstenaar die zijn boodschap uitdroeg via het enige medium dat geheel Amerika nog kon bereiken: de radio. En in de hoogtijdagen van zijn carrière werd hij door zijn aanhang zelfs gezien als de alziende dichter-profeet die Whitman altijd had willen worden.

Bob Dylan was de eerste die met intelligente songteksten de hitparade haalde en bewees dat rock-’n-roll niet per se hoefde te gaan over tienerliefde of snelle auto’s. De manier waarop hij vorm gaf aan zijn carrière is van grote invloed geweest op de cultuur van de popmuziek. Supersterren als David Bowie, Prince, Michael Jackson en Madonna maakten net als hij van het wisselen van imago’s hun handelsmerk.

Hij is het prototype en tegelijkertijd de indrukwekkendste verschijningsvorm van de singer-songwriter, de man of vrouw die gewapend met gitaar of piano de wereld overstelpt met pure emotie. Maar Dylans belangrijkste bijdrage aan de popmuziek wordt natuurlijk gevormd door zijn composities, de naar alle kanten uitwaaierende liedjes waarin anything goes. En hoewel hij een aantal albums heeft gemaakt die de perfectie benaderen – we noemen alleen maar Blonde on Blonde, John Wesley Harding, Blood on the Tracks, Slow Train Coming en Love and Theft – is het op Highway 61 Revisited dat alle aspecten van zijn talent voor het eerst bij elkaar kwamen.