Interview

‘Elke gekleurde schrijver weet: wat je maakt landt in een politieke wereld ‘

Karin Amatmoekrim

Het is haar meest kwetsbare boek: Tenzij de vader. Het gaat over de zoektocht naar haar vader. „Ik stelde het schrijven ervan eerst uit omdat ik bang was hem dichterbij te laten komen.”

Foto Lars van den Brink

Ze schuift een beetje heen en weer op de bank in café De Plantage in Amsterdam. „Zoals ik erbij zit, zo voel ik me ook: ik ben heel zenuwachtig. Ik heb me in dit boek aardig bloot gegeven.” Hoewel het haar zesde boek is, zijn de zenuwen groter dan anders. Deze keer heeft Karin Amatmoekrim (1976) geen fictie of autobiografische roman geschreven, maar een ‘memoir’. Tenzij de vader gaat over de zoektocht naar het ware gezicht van haar vader en haar angst om hem te leren kennen.

Amatmoekrim was elf toen haar moeder haar vertelde dat de man die weer eens dronken de deur achter zich had dichtgeslagen niet haar echte vader was. Die woonde in Suriname en was daar een beroemdheid als Taekwondo-kampioen en beheerder van een succesvolle sportschool. Haar vader, womanizer en vader van vele kinderen bij verschillende vrouwen, was op zijn zeventigste nog steeds een charmeur: „Niet op zo’n vieze manier, maar hij pakt je helemaal in.”

„Het interessante voor mij aan dit boek was het spanningsveld tussen het particuliere verhaal en een universele waarheid. Wie nadenkt over zijn ouders, denkt in feite na over zichzelf. Dat is die zoektocht die we allemaal eens ondernemen. In 2013 was de presentatie van mijn vorige boek, De man van veel, in Suriname. Mijn uitgever Mai Spijkers ontmoette mijn vader daar toen en zei: moet je niet een boek over hem schrijven? Ik zei: ja, maar dat komt wel als hij dood is. Maar later besefte ik: ik stel het uit omdat ik bang ben om hem dichterbij te laten komen. Ik kende hem niet (en nu nog niet). Toch was er veel voor te zeggen om het nu wél te doen. Er is al een fysieke afstand is tussen hem en mij, omdat hij in Suriname zit en ik hier. De dood zou alleen maar extra afstand toevoegen. Ik wilde bovendien niet de zoveelste versie van het leven van Eric Lie, mijn vader, vertellen, terwijl er al veel verhalen over hem bestaan. Dat was literair gezien niet interessant. Ik zou ook te weinig voor mezelf op het spel zetten. Nu heb ik heel veel te verliezen. Toen ik dat besefte, wist ik ook dat het op deze manier moest – nu hij er nog is. De worsteling is een belangrijk onderdeel van dit boek.”

Ben je als je nu terugkijkt blij dat je zo dichtbij bent gekomen?

„Ja, het voelt als een overwinning op mezelf omdat het gelukt is in de vorm die ik hoopte. Maar ben ik blij? Bedoel je dat ik mijn vader beter heb leren kennen? Ik ben blij dat er geen beschadiging is, het is geen trauma dat we hebben. Maar blij… ik moet er over nadenken, sorry, ik weet het niet.”

In hoeverre heb je je laten leiden door andere vaderromans?

„Ik maakte veel aantekeningen van wat ik las, maar die schrijvers zetten zich allemaal af tegen hun vader. Dat doe ik niet. Dat leek me niet eerlijk en daar komt bij dat ik natuurlijk niet met een dominante vaderfiguur ben opgegroeid, dat is een groot verschil. Maar literair gezien voel ik me wel thuis bij mannen die over hun vader schrijven, bij hun niet-sentimentele toon. Ik vroeg me vaak af: hoe doen zij dat? Ik was bang dat ik mijn vader niet zou kunnen vangen. Er zit veel verdriet in onze relatie. Hij kan de tijd niet terugkrijgen die voorbij is gegaan en voor mij gaat het over de loyaliteit tussen dochters en vaders, een relatie waaraan ik pijnlijke herinneringen heb. Ik had geen vader die antwoorden kon geven, die troost bood. Mijn vader en ik delen niet hetzelfde verdriet. In een van onze laatste gesprekken voor dit boek, vroeg mijn vader of ik teleurgesteld in hem was. Daarin lag het verschil. Mijn antwoord was nee was, want ik durfde al nooit veel van een vaderfiguur te verwachten. Het was zelfs al te laat voor een teleurstelling.”

Heeft je vader het al gelezen?

„Ik heb hem wel het manuscript gegeven, maar weet niet of hij het heeft gelezen. Ik heb hem de fragmenten voorgelezen waarvan ik me kon voorstellen dat hij er moeite mee zou hebben. Bijvoorbeeld de concrete scènes waarin staat dat hij manager van een hoerenclub was, maar dan ook meteen wat hij zelf nog had uitgespookt. Dat had hij me persoonlijk verteld, ook al wist hij dat ik met dit boek bezig was en ik zijn verhaal opnam. Ik wilde hem de kans geven om… of nee, ik moet eerlijk zijn: ik wilde dat hij wist dat ik dat had gebruikt. Ik was bang dat hij zou zeggen: ik wil dat je dat schrapt. Dan had ik moet kiezen: waar sta ik voor, voor mijn werk of voor onze relatie? Ja, ik weet eigenlijk wel dat ik het had laten staan, omdat ik vind dat het bij de tekst hoort. Maar gelukkig slikte hij alleen en zei hij: shit, maar hij schaamde zich niet.”

En je moeder?

„Ik heb met haar niet veel over het boek gesproken, ik heb haar erbuiten gelaten. Die relatie, of eigenlijk dat gebrek aan een relatie, is aan hen. Als ik daar in was gaan graven, was het misschien banaler geworden; het verhaal van een ongelukje.”

Gaat ze het lezen denk je?

„De kans bestaat dat ze dat niet doet.”

Vind je dat erg?

„Ik zou het gek vinden, want ze las tot nu toe alles, maar ik vind het niet erg als ze het nu nalaat, omdat ik het wel begrijp. Of is dat een soft antwoord? Iedereen heeft z’n eigen verdriet en als zij hier geen behoefte aan heeft omdat ze niet over die periode wil nadenken, hoeft ze het niet te doen omdat ik haar dochter ben.”

In de slotzin schrijf je: ‘Mijn plek was niet hier, en ook niet daar. Het was ergens anders.’ Waar is dat ergens anders?

„Ik heb geen concrete plek waar ik me helemaal thuis voel zoals mijn vader. Daarom voelt dit boek ook zo kwetsbaar. In fictie kan je je terugtrekken, je verschuilt je achter een personage. Dit boek is extreem letterlijk, iedereen kan zien wat het is. Dat ‘ergens anders’ is mijn werk, dat is wat abstract, maar anders kan ik het niet formuleren. Je moet het niet te somber zien – ik ben gewoon realistisch, maak me geen illusies. Als je nergens op leunt, hou je de verantwoordelijkheid bij jezelf.”

In dit boek voel je je gediscrimineerd door een botte grondstewardess en door een medestudent die een zin grammaticaal corrigeert. Je hebt hier het gymnasium gedaan, bent afgestudeerd en je hebt zes boeken uitgegeven. Houdt het gevoel slachtoffer van racisme te zijn nooit op?

„Dat is geen gevoel, het is de praktijk. Ik hou het nu even bij het schrijverschap. Elke gekleurde schrijver weet uit ervaring dat alles wat je maakt in een politieke wereld landt. Het kan natuurlijk ook gewoon niet anders. Je identiteit is onderdeel van een heftig discours met vragen over afkomst, dat geldt voor iedereen: we denken na over onszelf in relatie tot de ander. In schrijversinterviews met een autochtoon gaat het over de structuur van de tekst en niet over hoe jij je verhoudt tot je afkomst en plek in de wereld. Voor elke maker van een tekst van niet-westerse afkomst is dat een standaard onderdeel van het gesprek. Het Parool recenseert bijvoorbeeld dit boek. Hoewel dit mijn zesde boek is, vragen ze Patrick Meershoek, een journalist met specialisatie Suriname. Waarom niet gewoon een literaire recensent? Dat is een concreet voorbeeld: het stopt gewoon niet.”

Hangt het niet af van wat voor soort boek je schrijft? Je schrijft nu een boek over je vader en over je afkomst, dan is het toch logisch dat het daarover gaat?

„Dit boek gaat over mijn vader, en mijn plek in de wereld. Dat is een universele vraag. Adriaan van Dis schreef een boek over zijn moeder. Dat boek wordt voor zover ik weet niet besproken door iemand met als specialisatie Indonesië. Maar moet er voor het begrip van mijn werk een Suriname-expert bij gehaald worden? Ik voel me nergens heel erg aan verbonden, dus dan is het des te vervreemdender voor mij om te merken dat het altijd in een bepaalde context wordt geplaatst. Ik ben een immigrant, dus het is logisch dat ik een andere kijk op de dingen heb, maar ik ben niet thuis in Suriname. Ik was jaloers op mijn vader, op de complete rust die hij uitstraalt. Ik wilde weten wie zijn ouders waren, zijn grootouders. Hij had geen idee waar ze vandaan kwamen, hoe zijn voorouders in Suriname terecht waren gekomen. Mensen van mijn generatie houden zich daar veel meer mee bezig – hoe we ons tot elkaar verhouden. Dat die vragen, ook binnen de literaire wereld steeds meer gesteld worden, vind ik interessant.”

Elma Drayer schreef laatst in haar column voor ‘de Volkskrant’ dat gekleurde schrijvers bij uitgevers warmer onthaald worden dan witte mannelijke schrijvers.

„Wat een jaren negentig-opvatting – hoe kan je dat zeggen anno 2016? Ja, gekleurde schrijvers mogen een boek schrijven als ze zich hebben afgezet tegen hun eigen islamitische ouders, als ze hun eigen nest bevuilen. Maar krijgen ze literaire waardering om wat ze maken? Alleen Hafid Bouazza is dat gelukt. Drayers reactie is er een van iemand die bang is een stukje van de autochtone taart in te leveren; de verontwaardiging van een witte schrijver die niet gewend is dat het werk in twijfel wordt getrokken. Terwijl dat van ons constant wél in twijfel wordt getrokken. De vanzelfsprekendheid waarmee witte auteurs hun werk als iets universeels neerzetten, of als neutraal of als a-politiek is ongelofelijk. De vanzelfsprekendheid begint een klein beetje af te brokkelen, maar de macht en de invalshoek blijven wit.”

Karin Amatmoekrim: Tenzij de vader. Prometheus, 270 blz. € 19,95