Column

Rutte, ik klaag, moet ik nu ook het land uit?

Alle zes Amerikanen die dit jaar een Nobelprijs wonnen, zijn niet van Amerikaanse origine. Allemaal immigranten. Eigenlijk zou deze column daarover gaan. Met een alinea over de van terrorisme verdachte Syriër die in Duitsland verklikt was door een andere Syriër. De conclusie zou zijn dat immigranten ook goede burgers zijn die iets toevoegen aan de samenleving. Dat stuk was zo goed als af.

Maar tijdens het doorlezen betrapte ik mezelf op een tactiek die ik verafschuw. Ik verbond afkomst aan daden. Drie jaar geleden was ik op de Prinsjesdagborrel van VNO-NCW in Nieuwspoort. BNR zond er live uit, en om ervoor te zorgen dat ministers en fractievoorzitters op tijd achter de microfoon zaten, liep ik af en toe de zaal in. De eerste keer dat ik dat deed, riep een mevrouw vanaf de andere kant dat ze het zo ééénig vond dat er ook iemand zoals, nou ja, zoals ik aanwezig was op zo’n borrel.

Je voelt je pas een buitenstaander als anderen je daarop wijzen, hoe goedbedoeld ook. De vanzelfsprekendheid waarmee enthousiast geconcludeerd wordt dat je de meest basale dingen kan, ondanks je afkomst, is schrijnend en gênant. Praten bijvoorbeeld: ‘Wat praat je keurig Nederlands.’ Of werken. Eigen keuzes maken. Dat verband wordt overigens niet alleen uit goede bedoelingen gelegd. Het kan ook gedreven zijn door politiek opportunisme.

Zo legde de premier van alle Nederlanders afgelopen week het verband tussen onvrede en allochtonen.

In een interview met het AD vond Rutte een nog afstandelijker woord voor onder andere geboren en getogen Nederlanders van wie de ouders in een ander land geboren zijn: buitenstaanders. Die term geldt voor tweede en derde generatie Marokkanen die gewoon in Nederland geboren zijn, maar ook voor vluchtelingen die elders geboren zijn.

En die buitenstaanders kunnen maar beter gezellig optimistisch zijn, want als ze zich ergeren aan hoe wij het hier met elkaar geregeld hebben, moeten ze zich afvragen of ze überhaupt nog wel in Nederland willen blijven. Wat hij daar precies mee bedoelt laat hij in het midden. Ik erger me aan behoorlijk wat in Nederland: aan die verdomde wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties, aan in de file staan en aan mensen die friet patat noemen. Reden voor mij om een afweging te maken of ik niet wil emigreren naar een ander land, en voor u gewoon reden om te klagen. Deze schoolpleinlogica is een minister-president onwaardig.

Het huidige politieke klimaat laat zich het best op deze manier samenvatten. Politicus A signaleert een probleem of een zorg en zet dat om in een populistische boodschap. Vervolgens reageren Politicus B en C op politicus A, die proberen ze zelfs te overtreffen. Het wordt een onderlinge wedloop waarin niemand meer luistert naar degene die het probleem aankaartte. Die voelt zich nog meer onbegrepen dan eerst. Dan komt politicus D op het toneel die van dat ongenoegen een politiek punt maakt. En ga zo maar door.

Een huis bouw je niet op drijfzand, schrijft Rutte in zijn plan voor Nederland. Hij heeft het land sterker uit de crisis gekregen en nu wil hij gaan bouwen op een volgens hem sterk fundament. De premier is het louche bouwbedrijf dat een prachtig huis voor je bouwt. Je hebt er alleen zo weinig aan als je er op je tenen doorheen moet lopen, omdat het door de kleinste beweging in elkaar kan storten. Ik had deze column echt wel optimistischer willen afsluiten, want de meeste Nederlanders zijn volgens Rutte hartstikke optimistisch. Maar goed, ik heet dan ook niet voor niets een buitenstaander.

Lamyae Aharouay werkt als redacteur bij BNR. @LamyaeA