Oorlog begon al voor de landbouw

Antropologie

Een oude vraag is of oorlog al bestond voordat mensen in nederzettingen woonden. In Californië wel, leert onderzoek aan jagers-verzamelaars.

Rondtrekkende groepen jagers-verzamelaars gingen elkaar in tijden van voedselschaarste te lijf met speren en pijlen. Zij voerden oorlog, althans in Californië, tot tweehonderd jaar geleden. Die groepen leefden daar toen nog in prehistorische omstandigheden.

Dit resultaat van nieuw Amerikaans onderzoek geeft een antwoord op een al eeuwen bestaande vraag: hoe oud is oorlog? Wetenschappers worstelen ermee en bestrijden elkaar. Er zijn ruwweg twee scholen. De een is van mening dat oorlogvoering pas ontstond toen jagers-verzamelaars zich vestigden op een vaste plek en landbouwers werden. Er ontstonden toen groepen met verschillen in status, macht en rijkdom. In zulke gelaagde samenlevingen zouden leiders andere leden kunnen dwingen tot deelname aan een oorlog die de groep als geheel ten goede kwam.

Schaarse voeding

De andere meent dat oorlogvoering veel ouder is en dat zwervende groepen jagers-verzamelaars elkaar altijd hebben belaagd wanneer de veronderstelde kosten voor individuele deelnemers (gedood worden, gewond raken) geringer waren dan de verwachte opbrengst (voedsel, goederen, status). Dit zou vooral gebeuren als bijvoorbeeld voeding schaars was.

Die klassieke hypothesen zijn nu getoetst. Vijf Amerikaanse antropologen onder leiding van Mark W. Allen van de California State Polytechnic University schrijven er deze week over in PNAS. Zij deden onderzoek in Californië, waar tot tweehonderd jaar geleden prehistorische jagers-verzamelaars leefden.

De onderzoekers combineerden drie gegevensbestanden. Van de menselijke resten in prehistorische graven, in ouderdom variërend van 1530 tot 230 voor Christus, zijn de verwondingen vastgesteld. Daaruit is niet op te maken of ze zijn veroorzaakt door geweld tussen personen of tussen groepen. Etnografisch onderzoek in het gebied had al eerder gegevens opgeleverd over de sociaal-politieke complexiteit bij groepen jagers-verzamelaars. En verder is de jaarlijkse aanwas van biomassa – planten en bomen – in de onderzochte gebieden berekend aan de hand van satellietbeelden. Het is overigens de vraag of de hedendaagse milieukwaliteit dezelfde is als die van de afgelopen 1.500 jaar.

De meest voorkomende verwondingen zijn veroorzaakt door scherpe wapens, zoals speren en pijlen. Er waren duidelijk meer van zulke verwondingen als het voedsel schaars was. De sociaal-politieke complexiteit heeft weinig invloed. Maar duidelijk is wel: hoe armer het natuurlijke milieu, hoe meer scherp trauma. Opvallend was ook dat stomp trauma aan schedels, bijvoorbeeld veroorzaakt door knuppels, niet toe- of afnam met schaarste of sociale complexiteit.

De verwondingen door scherpe wapens leken overigens veel vaker – in 93 procent van de gevallen – dodelijk dan de verwondingen door slagwapens (23 procent).

De opvatting dat geweld zijn oorsprong vindt in de overgang van nomadisch jagen en verzamelen naar een bestaan in nederzettingen en in meer gelaagde samenlevingen wordt niet ondersteund door deze studie. Die wijst er juist op dat mensen eerder naar geweld grepen in tijden van schaarste. Dan wegen de individuele risico’s kennelijk niet op tegen het ultieme doel: overleven.