Column

Klaterend opportunisme en volg-je-hart-liefde

Oprollen en dubbelvouwen. ‘Boschbrand’ van Raden Saleh. Manon Lescaut. Eva-Maria Westbroek.

Ja, het zal best. Strikt genomen mochten ze daar bij Oranje Nassau vast wel het schilderij Boschbrand van Raden Saleh (1811-1880) verkopen. En dat ze daar niet direct het belang zagen van zo’n enorm, melodramatisch doek met vlammen, tijgers, buffels en een klapwiekende wouw, geschilderd door een Javaanse kunstenaar die in de eervorige eeuw werd geprotegeerd door hun betovergrootvader – het zij ze vergeven.

Jammer is het wel, maar het is een patroon. Anders dan hun collega-vorstenhuizen in de rest van Europa zijn de Oranjes, op prinses Beatrix na, wegkijkerig als het om kunst gaat. Hun kunstcollectie hebben ze meer uitverkocht dan beheerd (hadden ze nou maar een páár Michelangelo-tekeningen behouden. En die Rembrandts).

Eerder verbaast me de agressie waarmee Boschbrand werd opgeborgen. Opgerold en dubbelgevouwen. En toen niet even ingepakt, maar naakt overgelaten aan stof en groezel. (Ik bedoel, zelfs bij The Sound of Music hadden ze op het paleis oude gordijnen over.)

Dat gewelddadige dubbelvouwen alleen al. Aan het hof moeten ze werkelijk de pest aan het schilderij gehad hebben.

Hoe akelig ook, nu Boschbrand terug is en opgekalefaterd (alhoewel je zelfs op de reproductie in de krant nog krassen ziet) zie ik door dat ongerijmde dubbelvouwen de kracht van de kunst. Het doek bestaat. Raden Salehs schilderij, dat uit de mode was, te groot, te Indisch wellicht, rees op uit het vuil en werd herboren als een meesterwerk dat het Amsterdamse Rijksmuseum graag op zaal had gehad en het Tropenmuseum ook.

De kunst die niet buigt, aangezien hij daar te bijzonder voor is, wekt weerstand.

Manon Lescaut is een van de eerste opera’s die Puccini schreef. Verbluft over zijn eigen talent stopte Puccini hem boordevol. Met muzikale motieven, met hartstocht, met drama. En vooral met Manon, een tegendraadse heldin die alle kanten uit stuitert. De Nationale Opera presenteert Manon Lescaut nu in de regie van Andrea Breth. Ze temde de opera. Met personages die elkaar niet aankijken maar verloren in hun eigen wereld tollen. Met kil licht dat ontkent dat er zoiets als romantiek kan bestaan. Met een decor dat meer de loods van de Praxis is dan een herberg, een paleis, een haven waar ze hoeren deporteren. Manon zelf begint en eindigt in een soepjurk. Heur haar hangt. Hoezo? Voor haar vileine sugar daddy draagt ze wel een fikse japon, maar die beknelt haar of ze straf heeft. Alles bij elkaar zie je dat Andrea Breth grote moeite heeft gehad met Manon en de paradox waar zij nu eenmaal voor staat: klaterend opportunisme net zo goed als volg-je-hart-liefde. Die heeft Breth in deze regie opgerold en dubbelgevouwen.

Maar Breth heeft geen verweer tegen de kracht van de opera. Die siddert, maar laat zich er niet onder krijgen.

Eva-Maria Westbroek vertolkt Manon. Ze acteert haar gedempt en anti-larmoyant – geheel volgens Breths regie. Maar ze is een sopraan als een vulkaan, daar is niets aan te doen. Als ze met die stem van haar Manon zingt, duikt ogenblikkelijk de levenskunst op die Puccini componeerde.

Het resultaat? Ovatie, ovatie, ovatie.