Opinie

Ik ben machtig genoeg. Afstemmen, dat is mijn baan

De Thorbeckelezing De premier is zichtbaarder en verantwoordelijker dan Thorbecke voor ogen had. Belangrijker is zijn rol als smeerolie in een versnipperd parlement, meent premier Mark Rutte.

Illustratie Hajo

Alle deskundige juristen, historici en bestuurskundigen zijn het erover eens dat het soortelijk gewicht van het premierschap sinds de Grondwet van 1848 en de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid is toegenomen. Hierdoor komt bijvoorbeeld regelmatig de vraag op of de minister-president rechtstreeks moet worden gekozen en of de functie ook formeel moet worden uitgebreid, bijvoorbeeld met de coördinatie van het Europees beleid. Ik zou dat een slecht idee vinden.

Dat zeg ik vooral vanuit de praktische ervaring dat het in mijn baan meer dan ooit aankomt op de kerntaak: coördinatie en het bewaken van de eenheid van het regeringsbeleid. Hoe meer officiële verantwoordelijkheden en mandaten, des te lastiger wordt het om die kerntaak goed uit te voeren. Ik meen echt dat meer geformaliseerde macht en belangen die wezenlijke rol van de premier als smeerolie in de machine in de weg zouden zitten.

Dat heeft ook te maken met de historische ontwikkeling van de functie. Sinds de dagen van Thorbecke is in ons geschreven staatsrecht voor de premier een bescheiden rol weggelegd. Voor Thorbecke was het een uitgemaakte zaak dat een sterk geprofileerde vaste voorzitter van de ministerraad onvermijdelijk tot ‘despotisme’ moest leiden, zoals hij dat noemde.

Dus kreeg Nederland met de Grondwet van 1848 formeel een tijdelijk voorzitter van de ministerraad, die periodiek door zijn collega’s werd gekozen. Het minister-presidentschap begon als een heel klein steentje in het huis van Thorbecke.

Pas sinds 1983 kent onze Grondwet enkele bepalingen waarin de minister-president expliciet wordt genoemd. Maar het recht volgt hier wel de praktijk. De praktijk na 1848 was namelijk vrijwel direct dat steeds dezelfde tijdelijk voorzitter werd gekozen. De praktijk was ook dat sterke persoonlijkheden in deze functie meer hun stempel op een kabinet wisten te drukken dan anderen.

Dat gold paradoxaal genoeg om te beginnen voor Thorbecke zelf, die de formele titel van minister-president helemaal niet nodig had om het staatkundig gezicht te worden van een tijdperk. En ook over een man als Kuyper – ‘Abraham de geweldige’ – kan geen enkel misverstand bestaan. Hij was de chef.

Herman Tjeenk Willink heeft mij in een gesprek weleens het beeld geschetst van een gestaag opgaande lijn, met af en toe een pas op de plaats. Die passen op de plaats waren dan bijvoorbeeld Ruijs de Beerenbrouck na Cort van der Linden of De Quay na Drees.

Maar de structurele ontwikkeling laat een beeld zien van groeiende zichtbaarheid, een groeiend takenpakket en ook een groeiende rol in de richting van media en parlement. Soms lijkt de minister van Algemene Zaken wel de minister van Alle Zaken, zeg ik weleens.

De zogeheten wet van Ringnalda zegt: naarmate de overheidsbemoeienis toeneemt, groeit de behoefte aan afstemming en wordt de rol van de minister-president belangrijker. Je zou met een blik op het hier en nu kunnen zeggen dat deze wet een kleine uitbreiding nodig heeft. De behoefte aan afstemming en coördinatie hangt in mijn ervaring namelijk niet alleen samen met de omvang van de overheidsbemoeienis, maar ook met de groeiende complexiteit van de politieke verhoudingen. In vergelijking met vroeger leven we in een versplinterd politiek landschap, waarin ook de traditioneel grote partijen kleiner en minder dominant zijn. En als meerderheden niet vanzelfsprekend zijn, moeten stabiele verhoudingen en concrete resultaten steeds opnieuw worden veroverd.

Regeringsleider, ons staatsrecht kent deze term niet

Ook de media spelen in de ontwikkeling van het premierschap een grote rol. Ik heb tegen Piet de Jong weleens grappenderwijs gezegd dat hij zijn opvolgers eigenlijk machtig heeft gemaakt met het besluit om wekelijks na afloop van de ministerraad een persconferentie te geven. Dat heeft onmiskenbaar bijgedragen aan het feit dat de premier van dienst het boegbeeld en het gezicht naar buiten is geworden en feitelijk als regeringsleider wordt beschouwd.

Tot slot wijs ik op de gegroeide rol en zichtbaarheid van de premier in het buitenland. Zeker in de Europese Raad is de gegroeide praktijk dat de minister-president regeringsleider is. Ons staatsrecht kent deze term niet, maar er is in Brussel echt niemand die daarom op een andere manier naar de Nederlandse premier kijkt. Zeker niet als er knopen moeten worden doorgehakt over heikele kwesties die geen uitstel dulden.

Zo zijn er nationaal en internationaal verschillende ontwikkelingen waardoor het kleine steentje in het huis van Thorbecke een zelfstandige uitbouw is geworden met behoorlijk wat bewegingsruimte voor die ene tijdelijke bewoner. We hebben vanwege ons grotendeels ongeschreven staatsrecht de formele vergunningen misschien niet allemaal op orde, maar de uitbouw wordt gedoogd.

Die bewegingsruimte is cruciaal voor de coördinerende taak van de premier, die na 1848 onmiskenbaar belangrijker is geworden. Tegelijkertijd verhoudt die rol van ‘smeerolie in de machine’ zich slecht tot solisme. Of zoals Thorbecke zou zeggen: despotisme. Dat wordt in de Nederlandse verhoudingen direct afgestraft. In dat opzicht is Thorbecke prima in zijn opzet geslaagd. De geschiedenis leert dat ook afgeleide macht en indirecte invloed effectief kunnen zijn en goed voor de teamprestatie. Laat dat zo blijven.

Lees de gehele Thorbeckelezing op Rijksoverheid.nl