Éric Ruf blaast het stof van de stoel van Molière

Achtergrond Comédie-Française

Er waait een frisse wind door de Comédie-Française. De oudste nog actieve theatergroep ter wereld, opgericht in 1680, vernieuwt onder leiding van directeur Éric Ruf. Met hulp van Ivo van Hove, en te zien in de bioscoop.

Aan het eind van de galerie des bustes met marmeren borstbeelden van Marivaux, Hugo, vader en zoon Dumas en andere grootheden uit het Franse theaterverleden staat een glazen kast met een afgebladderde stoel erin. Een topstuk: het is de fauteuil waarin Molière kort voor zijn dood De ingebeelde zieke speelde en onwel werd. In 1673 was dat, zeven jaar voor de formele oprichting van de Comédie-Française. Ieder hoekje hier in het huis van de oudste nog actieve theatergroep in de wereld ademt geschiedenis. Het ‘Maison de Molière’ noemen de Fransen het eerbiedwaardige instituut bij het Palais Royal waarvan de artistieke baas, de administrateur général, door de president zelf benoemd wordt.

Maar al die historie kan ook een zware last zijn. Het imago van de Comédie-Française – ‘Le Français’ voor intimi – is niet zo goed. „Dat het hier stoffig is, hoor ik altijd.” Éric Ruf (47), sinds twee jaar administrateur, zucht er diep bij. Hij zet een gedragen toon op, begint overdreven te articuleren. „En alsof acteurs van de Co-mé-die-Françaaaiiise uitsluitend zo kunnen praten.” Of, vervolgt hij, „dat we vanwege de intieme banden in een toneelgroep met een vaste groep acteurs elkaar geregeld de trap afduwen. Er is juist grote onderlinge solidariteit. En omdat we hier meerdere keren per dag de decors wisselen heeft het stof nauwelijks tijd om neer te dalen. Maar het is waar”, erkent hij, „dat men ons een beetje ouderwets vindt.” Het is Ruf die daar de strijd mee aangaat.

Dat begon al met zijn eigen kantoor. Daar stond sinds jaar en dag een klassiek Napoleon 3-bureautje, zoals ook ministers die hebben. „Het blijft nu eenmaal een zeer protocollaire post”, zegt hij. In het buitenland mag hij zich zelfs ambassadeur noemen: „Als ik iets raars doe, dan kan dat tot een diplomatiek conflict leiden.” Toch haalde hij het bureautje weg en verving het door twee strakke tafels uit de decoropslag. Ook de wandkleden en het dikke tapijt op de grond moesten eraan geloven. „Het was hier zo donker: in mijn kantoor voelde het permanent alsof er problemen waren”, zegt hij. Bleef over: een borstbeeld van Molière en een wand met portretfoto’s van de huidige sociétaires en pensionnaires: de vaste acteurs.

Maar de vernieuwing is bovenal inhoudelijk. Ruf – sinds 1993 acteur bij de Comédie-Française, in 1998 aangenomen als sociétaire nummer 498 en later ook actief als scenograaf en regisseur – programmeerde een voorstelling over Bob Dylan, liet filmmaker Arnaud Desplechin debuteren als theaterregisseur en kondigde aan op zoek te gaan naar een extra flexibel theater waar moderne voorstellingen beter tot hun recht zouden komen.

Deze week begint een nieuw avontuur: in samenwerking met Pathé zal Rufs moderne versie van Shakespeares Romeo en Julia donderdag wereldwijd live in bioscopen te zien zijn. Later volgen De Misantroop en Cyrano de Bergerac. „De wereld van de film zit vol met mensen die fantaseren over het theater en in het theater zit het vol met mensen die fantaseren over film”, zegt Ruf over de wisselwerking. Hij hoopt een groter en misschien iets volkser publiek te bereiken. „We komen zo op plekken waar normaal geen theater is. Ik hoop dat ze zeggen: dit wil ik vaker zien, in het echt.”

Het past allemaal bij de strategie die hij bij zijn aantreden presenteerde. Na de vaak nogal archaïsche interpretaties (en vele interne conflicten) onder zijn voorgangster Muriel Mayette, liet hij weten dat hij de deuren wilde opengooien. Daarvoor zou de Comédie-Française voor het eerst in lange tijd weer buitenlandse regisseurs aantrekken. In interviews noemde Ruf steeds de Duitse superster Thomas Ostermeier, met wie hij nog altijd in gesprek is maar die veel overredingskracht nodig heeft om samen te werken met wat hij volgens Ruf een „museum” noemt. Het werd eerst die andere superster, Ivo van Hove, en met een controversiële voorstelling zoals de Comédie-Française die in vele jaren niet gezien had: Les Damnés, Van Hoves theaterbewerking van Luchino Visconti’s film La caduta degli dei uit 1969.

„Ik kreeg een mooie handgeschreven brief van Éric Ruf”, zegt Van Hove desgevraagd. „Maar ik geef toe: ik had niet meteen het idee dat ik dit moest doen. Ik dacht wat iedereen denkt bij de Comédie-Française: stoffig. Het veranderde toen we kennismaakten. Hij begreep direct waarmee ik bezig was, er was warmte.” Wat het nog aantrekkelijker maakte: dankzij de vernieuwingen van Ruf zou de Comédie-Française deze zomer voor het eerst in 23 jaar weer op het prestigieuze theaterfestival van Avignon spelen. En meteen op de belangrijkste plek: het ‘Cour d’Honneur’ van het Palais des Papes. „Het moest van internationaal niveau zijn, had het festival gezegd. Zo’n aanbod kun je niet weigeren.”

Sinds eind september is Les Damnés, met grote namen als Denis Podalydès, Elsa Lepoivre en Didier Sandre, in Parijs te zien. Want hoewel het acteurs van buiten het vaste gezelschap niet is toegestaan in de vaste Salle Richelieu te spelen, gelden voor regisseurs deze beperkingen niet. De ontvangst, eerder al in Avignon, was lyrisch. President François Hollande zat bij de première in de zaal en bleef tot na middernacht om met de makers na te praten.

„Ik heb gedaan wat ik altijd deed”, zegt Van Hove. „En ze gingen helemaal mee. Het zijn topacteurs, technisch ontzettend goed, alles ging vlekkeloos.” Dat toont, zegt hij, „de innerlijke kracht van een grote instelling. Die kan even ingeslapen zijn, maar er zit veel kennis die niet zomaar verdwijnt.” Onder Ruf, zegt de directeur van Toneelgroep Amsterdam, is een „revolutie” gaande. „Er is geen weg meer terug.”

Ruf zelf probeert dat woord te vermijden. Toen hij vorig jaar het logo van de Comédie-Française liet moderniseren (het jaartal 1680 verdween), was de kritiek in veranderingsschuw Parijs al niet van de lucht. „Als je hier aantreedt vragen mensen meteen wat je gaat veranderen. Moet alles op de schop? Mais non! Ik heb een mandaat van vijf jaar in een theater dat sinds 1680 bestaat. Wat kan ik nog opnieuw uitvinden? Je hebt in dit soort functies tuinmannen en landschapsarchitecten. Ik zie mezelf als tuinman. Ik ken deze plek heel goed en snoei niet te ingrijpend. De traditie is groot. Mensen vertrouwen dit huis, dat moet je niet bruuskeren.”

Het is ook niet zo, haast hij zich te zeggen, dat het publiek „nu alleen nog blote acteurs rollend in bloed en bier” te zien krijgt, zoals in Les Damnés. „Door Ivo van Hove komt een nieuw publiek. Met hem hebben we de mogelijkheden, de esthetiek, de manier om over theater te denken vergroot. Van Hove laat een mitrailleur klinken waardoor iedereen aan de Bataclan denkt. Maar Molière schokte evengoed permanent. Dat vergeten we vaak: hij nam grote risico’s, sneed gevoelige onderwerpen aan. Dat is óók onze geschiedenis. Toen hier in 1830 Victor Hugo’s Hernani opgevoerd werd, gingen mensen met elkaar op de vuist, wat hij liet zien was enorm contemporain.”

En bij de Comédie-Française draaien met totaal 65 acteurs in drie zalen in één week altijd ten minste vijf voorstellingen tegelijk, soms zelfs meer. „Ik heb nu ook Le Petit-Maître corrigé van Marivaux geprogrammeerd”, zegt Ruf. „Dat is in 1734 speciaal voor ons geschreven, de enscenering kan niet klassieker. Het is mijn opdracht om juist ook dat vaste repertoire te brengen. De Comédie-Française is een van de zeldzame theaters waar mensen het aanbod vertrouwen. Daarom spelen we dit eerste jaar met Pathé alleen champions league: de grote titels. De mensen weten dat we heel goede acteurs hebben, onze eigen ateliers voor kostuums en decors. Dat verplicht, maar het beperkt ook een beetje.”

13 oktober om 20h30 bij Pathé Tuschinski, Pathé Buitenhof en Pathé Maastricht: Roméo et Juliette onder regie van Éric Ruf (in het Frans, niet ondertiteld). 5 en 7 november met Engelse ondertiteling. Op 9 februari: Le Misanthrope (regie: Clément Hervieu-Léger), 4 juli Cyrano de Bergerac (regie: Denis Podalydès). Van Hoves Les Damnés is tot 13 januari in de Salle Richelieu te zien.