Lucky Luke-tekenaar Morris was een stille revolutionair

De onverstoorbare, laconieke en onoverwinnelijke cowboy wordt zeventig.

Cover van het Lucky Luke-album De Postkoets

‘Kom maar op, snotneus”, zegt de bebaarde boef tegen Lucky Luke, die ontspannen aan de bar hangt met een glas in zijn hand. In een strookje van drie plaatjes zien we wat er gebeurt: 1. Lucky Luke schiet, er verschijnt een wolkje met PANG, zijn glas zweeft in de lucht op de plek waar hij het losliet; 2. Lucky Luke staat weer met glas in de hand, pistool in het holster, waar rook vanaf komt; 3. Nu pas zien we de baan van de kogel: boef kijkt geschrokken hoe de kogel zijn riem stuk schiet, waardoor zijn broek afzakt. Deze drieslag van gestolde tijd typeert zowel tekenaar Morris als de wijze waarop Lucky Luke, de onverstoorbare, laconieke en onoverwinnelijke cowboy zijn tegenstanders het zwijgen oplegt.

Verderop in de strip De spoorweg door de prairie staat nog zo’n prachtig voorbeeld van de filmische stijl en visuele humor van Morris: boeven hinderen de aanleg van een spoor door een enorm rotsblok naar beneden te gooien. Lucky Luke bedenkt dat er een tunnel onder het rotsblok gegraven moet worden. Meer rotsblokken volgen. Dan tekent Morris wat dat oplevert, van bovenaf gezien: een geestig patroon van rails die bij een rotsblok de grond in schieten en erna weer bovenkomen.

Hernieuwde uitgave van de hele collectie

Lucky Luke, een van de grootste Europese striphelden, wordt zeventig dit jaar. In 1946 verscheen de eerste aflevering in het Franse stripblad Spirou en de Nederlandse versie Robbedoes. Geschreven, in het Frans, door Morris – de fonetische weergave in het Frans van de voornaam van de Belg Maurice de Bevere (Kortrijk, 1923-2001). Van de albums, die generaties kinderen inspireerden en vermaakten, zijn inmiddels meer dan 300 miljoen exemplaren verkocht. En dus wordt de zeventigste verjaardag gevierd met een hernieuwde uitgave van de hele collectie van 73 albums, met nieuw coverontwerp, nieuwe belettering en uniforme vertaling en nummering. Een fijne surprise is dat de monografie over de tekenaar, De kunst van Morris, is vertaald. Zulke serieuze en informatieve studies over strips verschijnen veel te weinig in het Nederlands taalgebied. En al is het verre van perfect door de impressionistische opzet, het biedt een schat aan schetsen, tekeningen, foto’s en informatie.

Het heerlijke De spoorweg door de prairie is in 1955 een keerpunt in het bestaan van Lucky Luke, want het is het eerste verhaal dat is geschreven door René Goscinny. Na acht albums solo heeft Morris hem gevraagd de scenario’s te leveren. De man die in 1959 Asterix bedenkt en daarmee nog veel beroemder wordt, krikt het niveau van de strip omhoog en geeft hem zijn definitieve vorm. Hun samenwerking, ‘de gouden tijd’, duurt tot Goscinny’s dood in 1977.

Foto’s pikken


Uit De kunst van Morris valt op te maken hoe Morris en zijn strip zich ontwikkelen. De documentatie van Morris, die als tiener in de oorlog een schriftelijke cursus tekenen volgt, bestaat aanvankelijk uit filmfoto’s, die hij bij de ingang van bioscopen pikte met zijn vriend André Franquin, de latere tekenaar van Guust Flater. „Als we een mooie foto van een postkoets of een saloon zagen, ging Franquin op wacht staan terwijl ik me meester maakte van de foto”, vertelde Morris in een interview.

Gaandeweg creëert Morris zijn eigen versie van de western, die vlak na de oorlog nog niet de psychologische diepgang en cynische wreedheid van latere films kent. Volgens Goscinny bleef de strip dichter bij de historische waarheid dan de met legendes omgeven westerns: „In de films worden bandieten vaak neergezet als vrijbuiters. In werkelijkheid waren het meestal echte gangsters, schizofrenen en dergelijke. Wij benaderen soms, met onze karikaturen, veel dichter de werkelijkheid.”

Morris tekent een eigen komisch-satirisch universum, met vaste, herkenbare elementen: gammele gehuchten, de prairie, de saloon – bevolkt door immorele en manipuleerbare types. Domheid, laaghartigheid en verraad hebben in deze wereld de overhand. Lucky Luke bestrijdt het kwaad, ook bij vertegenwoordigers van het gezag. Hij doet dat met een rust die elke benarde situatie grappig maakt. „Op de morele zwaktes van de pioniers reageert Lucky Luke alsof hij met kinderen te doen heeft”, aldus de monografie. „Hij deelt standjes uit.”

Jolly Jumper en de Daltons

Zo’n onaantastbare held smeekt om sterke bijrolspelers. Die zijn er. Jolly Jumper is Lucky Lukes onafscheidelijke paard en enige vriend, die kan schaken en in bomen klimmen en vanaf een gegeven moment ook hardop commentaar levert. Terugkerende tegenstanders en een attractie op zich zijn de gebroeders Dalton, vier oliedomme en onverbeterlijke desperado’s.

Grafisch interessant is hun regelmatig oplopende lengte, waar Morris eindeloos mee speelt. Hun waarde zag hij niet meteen. In het album Vogelvrij (1954) liet Morris de Daltons sterven, „een ontzettende stommiteit”, zei hij later. Hij werd bedolven onder de brieven van lezers die deze personages juist leuk vonden. Dus bedacht hij vier neven: „Die heb ik nog veel dommer gemaakt, omdat ik toen doorhad dat de combinatie van dwaasheid en gemeenheid heel leuke grappen oplevert.”

In de eerste jaren is Lucky Luke nog een gedrongen mannetje met een grote ronde kin. De latere slungelige cowboyheld met sigaret bungelend op de onderlip modelleert Morris naar de rijzige, flegmatieke filmster Gary Cooper. Uit een film van Cooper (Along Came Jones) komt ook de regel die Lucky Luke steevast zal gaan zingen aan het einde van de albums: „I’m a poor lonesome cowboy and a long way from home.”

De verwijzingen naar film zijn talrijk. Morris gebruikt als een van de eerste tekenaars filmische technieken, zoals vogelperspectief en extreme close-ups. Voor zijn overzichtsplaten breekt hij geregeld uit het vaste stramien van vier stroken van drie vakken op een pagina, het ‘wafelijzer’. Deels ontleent hij die inzichten aan de latere makers van het satirische tijdschrift MAD, die hij ontmoet als hij van 1948 tot 1955 in New York woont. Hun karikaturale stijl wendt hij aan voor eigen gebruik: zo ontstaat de striptaal van Morris, van een onderkoelde virtuositeit.

Stille revolutionair

De helderheid van het beeld gaat Morris boven alles. Zijn van Hergé afgekeken lijnvoering is sober, doelmatig en daarbij verraderlijk losjes. Net als de dynamiek en de enscenering van de strip getuigt zijn tekenkunst van groot vakmanschap.


Toch wordt Morris in de stripgeschiedenis makkelijk over het hoofd gezien. De auteurs van De kunst van Morris betogen dan ook met veel vuur dat Morris ten onrechte artistiek wordt ondergewaardeerd. Er is lof voor zijn compositie, inkleuring, bedrevenheid met gezichten en figuren, spel met suggestie en vrijmoedigheid bij albumcovers: „Toch experimenteert Morris altijd onopvallend. Hij is een stille revolutionair.”

Zijn ‘vooruitstrevendheid’ blijkt ook uit de covers. Na 1960 staat daar niet altijd Lucky Luke zelf op, zoals op het album Tenderfoot. In De kunst van Morris staat: „Het is van een voor die dagen ongeziene durf dat Lucky Luke op sommige covers zijn plaats afstaat aan onbekende personages. Hergé, Uderzo en Franquin durven dat nooit te doen en zetten altijd hun hoofdpersoon op de albumcovers. Op de cover van De karavaan staan zelfs tekstballonnen, wat heel ongebruikelijk is.”

Wulpse saloondanseressen

Wat wellicht een rol speelt in de waardering is dat in deze humorstrip de wereld zo overzichtelijk is. De Franse censuur op buitenlandse jeugduitgaven, ingevoerd in 1949, speelde daar een centrale rol in. De rapporteur, priester en schoolhoofd, sanctioneerde wat ongepast was of ongepast dreigde te worden. Van de uitgever van Morris, Dupuis, werden zelfs twaalf reeksen verboden en dat leidde weer tot overmatige voorzichtigheid vooraf. Er mochten bijvoorbeeld geen doden vallen. Een van de running gags in Lucky Luke werd dat de gretige doodgravers in de strip ondanks de talloze vuurgevechten nooit iets te doen hebben.

Als Morris in 1968 overstapt naar de Franse uitgever Dargaud en zo de censuur ontspringt, begint hij direct aan een verhaal met wulpse saloondanseressen (Dalton City).

In de jaren tachtig komt er vanuit Amerika kritiek op het roken van Lucky Luke. De strip is er zeer populair en als de Hanna-Barbera-studio een tekenfilm van Lucky Luke maakt, geeft Morris toe. Voortaan kauwt de cowboy op een sprietje. In dat opzicht was Morris rebel noch revolutionair. Maar het is een detail dat niet het zicht moet ontnemen op een meesterlijk oeuvre. De pure, visuele humor van Morris heeft de tand des tijd uitstekend doorstaan. Lucky Luke kan nog jaren mee.