Burundi wil af van Internationaal Strafhof

Het Hof had een half jaar geleden besloten onderzoek te doen naar het land

Parlementariërs in Burundi stemmen over het Strafhof AFP/Onesphore Nibigira

Volksvertegenwoordigers van Burundi hebben deze woensdag met overgrote meerderheid ingestemd met terugtrekking van hun land uit het Internationaal Strafhof. Het Strafhof, dat vaker te maken krijgt met Afrikaanse kritiek, had juist een half jaar geleden besloten vooronderzoek te doen naar het geweld in Burundi (11 miljoen inwoners).

De stemming in het parlement – ook de senaat moet zich nog uitspreken – tegen het Strafhof betekent niet onmiddellijk het verbreken van de banden. Volgens het verdrag van het Hof, dat Burundi in 2004 formeel ratificeerde, geldt een ‘wachttijd’ van een jaar, vanaf het moment dat de regering de secretaris-generaal van de VN per brief op de hoogte heeft gesteld van het voornemen.

Het besluit van het door de regeringspartij van president Pierre Nkurunziza gedomineerde de volksvertegenwoordigers (94 voor, twee tegen en veertien onthoudingen) komt niet onverwachts. Vorige week vrijdag al zei vicepresident Gaston Sindimwo dat de regering genoeg heeft van het Hof.

Afgelopen dinsdag weigerde Burundi vervolgens de toegang van drie onderzoekers van de VN wegens een uiterst kritisch rapport van hen over de situatie in het land. De VN-onderzoekers schrijven in hun vorige maand uitgebrachte rapport dat sinds vorig jaar duizenden mensen zijn gemarteld en verdwenen. Naar schatting zijn meer dan 560 mensen gedood. Ook worden troepen en een aan president Nkurunziza loyale jeugdmilitie beschuldigd van massaverkrachtingen. Meer dan 300.000 Burundezen zijn naar buurlanden gevlucht.

De onrust in Burundi, ingeklemd tussen de Democratische Republiek Congo en Tanzania, begon in april 2015 toen president Nkurunziza, aan de macht sinds augustus 2005, aankondigde een derde termijn te ambiëren, in strijd met de grondwet. Straatprotest daartegen in de hoofdstad Bujumbura, werd neergeslagen. De repressie werd een maand later heviger na een mislukte staatsgreep, beraamd door kringen in het leger.

Vrije media werd de mond gesnoerd (waardoor onafhankelijke informatie uit het land schaars is), en er groeide de vrees voor een nieuwe massaslachting tussen Hutu’s (80 procent van de bevolking) en Tutsi’s (15 procent) – net zoals in 1972 en 1993 gebeurde. Maar jonge bloggers uit Burundi zeiden eerder dit jaar tegen deze krant dat de strijd geen etnisch karakter heeft , maar een politieke strijd is om verbetering van de economische situatie voor alle jongeren en armen.

“Tien jaar geleden werd gehoopt dat Burundi het goed zou gaan doen. Maar Burundi blijft onderaan schommelen, volgens veel indicatoren. De frustratie heeft zich opgestapeld. Toen de president zijn derde termijn aankondigde, zeiden veel jongeren en intellectuelen: hij moet vertrekken”, zei een blogger. Een andere: “Sommigen willen er een etnisch probleem van maken. De kans is klein dat dat lukt. De mensen in Burundi zijn moe van het geweld, ze zijn arm, Hutu’s en Tutsi’s – we zitten allemaal in hetzelfde kamp.”

Alle processen die op dit moment voor het Strafhof worden of werden gevoerd betreffen Afrikaanse landen. Daarom klinkt vanuit Afrika, ooit een belangrijke steunpilaar voor de oprichting van het Hof, het verwijt dat het Strafhof racistisch is. Opmerkelijk is evenwel dat die kritiek overwegend komt van leiders die zelf door het Hof zijn gedaagd of van langzittende leiders die er alles aan doen om in het zadel te blijven.