Column

Wolkers en de critici

In de Volkskrant mag ik graag de rubriek Memoires van een biograaf lezen van Onno Blom, die aan een biografie van Jan Wolkers werkt. Blom geeft ons prikkelende voorschotjes op zijn boek. Hij kreeg volledige toegang tot het persoonlijke archief van Wolkers en heeft de medewerking van diens weduwe Karina.

Aan de snippers die Blom prijsgeeft, kun je merken dat het een interessante biografie kan worden. De vraag is alleen of Blom er ook in zal slagen om de noodzakelijke kritische afstand tot zijn ‘onderwerp’ te bewaren. Dat lijkt me niet gemakkelijk als je, zoals hij, de bewuste persoon goed hebt gekend en met zijn nabestaande(n) contact onderhoudt. Het gevaar van de hagiografie ligt in zo’n geval altijd op de loer.

Bij Blom zag ik dat gevaar onlangs opdoemen toen hij schreef over Wolkers en de literatuurkritiek. Wolkers had een reusachtige, vaak in het openbaar beleden, hekel aan veel critici. Het valt al te lezen in het opzienbarende interview met Wolkers dat Jan Brokken in de jaren zeventig voor de Haagse Post maakte. „De wraak van Jan Wolkers” stond erboven.

Eerst rekende Wolkers af met zijn uitgevers: „Dit is dus de derde keer dat ik door een uitgever besodemieterd ben.” Hij doelde op directeuren en uitgevers van Meulenhoff (twee) en Elsevier. Hij eiste het vertrek van Meulenhoff-directeur Laurens van Krevelen en een bemiddelingspoging wees hij af: „Ik zei: breng hem niet hier, want ik sla hem hartstikke dood.”

Hij vertelde dat hij van enkele critici een archief had opgebouwd. „Alle stukken van zo’n man verzameld, niet alleen over mijn eigen boeken, ook van andere. Met aantekeningen erbij. De voortdurende tegenspraak aangetoond. De honderden stijl- en taalfouten aangestreept. Gigantische archieven.” Hij beschuldigde hen van kwaadaardigheid en rancune.

Wolkers’ maniakale verbetenheid ten opzichte van zijn critici heeft me altijd gefrappeerd. Wat bezielde hem? Hij kreeg toch ook gunstige kritieken? Bovendien had hij over succes bij een breed lezerspubliek niet te klagen. Een mooie kluif voor de biograaf, lijkt me, maar uit zijn rubriek begrijp ik dat hij zijn oordeel al klaar heeft: het lag allemaal aan de critici. Bij het doornemen van Wolkers’ ‘gitzwarte mappen’ viel hem op „hoe de bewondering van de h.h. critici voor de bestsellerauteur aan het einde van de jaren zeventig plotseling omsloeg in afgunst en afkeer. Ineens was het oorlog.”

De biograaf kiest partij voor Wolkers. Dat mag, maar vraagt hij zich ook af of de critici mogelijk gedreven werden door andere motieven dan afgunst en afkeer? Het is waar: de genoemde critici (Aad Nuis, Carel Peeters, Ivan Sitniakowsky, Maarten ’t Hart) waren niet mals in hun oordeel. Maar voor zover het de latere romans van Wolkers betrof, kon ik die kritiek wel delen. Zijn werk uit de jaren zestig heb ik altijd bewonderd, maar daarna kreeg ik er steeds meer moeite mee – het werd me te vet en te melodramatisch, met als dieptepunt zijn roman Brandende liefde.

Ook een criticus als Kees Fens, die al vroeg een lans voor Wolkers’ werk had gebroken, werd afwijzend, waarna Wolkers ook hem op de korrel nam. „Wolkers was een genadeloos criticus van de critici”, schrijft Blom met veel empathie. „Maar zij waren begonnen.”

Natuurlijk waren zij begonnen. Dat was hun vak.