Recensie

Stugge schrijver, gezellige echtgenoot

Biografie

Zijn vrouw was een steun voor Ferdinand Bordewijk toen er een gevecht met recensenten gevoerd moest worden.

Foto uit besproken boek

Tijdens een tv-opname op 9 april 1962 kon de kijker een glimp opvangen van het huwelijk tussen de schrijver Ferdinand Bordewijk (1884-1965) en de componist Johanna Bordewijk-Roepman (1892-1971). Op een gegeven moment komt het muziekstuk Plato’s dood ter sprake, een compositie van Johanna Bordewijk op tekst van haar man. Ferdinand Bordewijk stelt voor dat zijn vrouw er even bij komt zitten. ‘Joh, wil je zo goed zijn een kleine toelichting te geven?’ vraagt hij terwijl Johanna enigszins verzenuwd aanschuift. Het lijkt een absurd moment waarbij je als kijker niet weet of het hier nu om een denigrerende vraag gaat of een liefdevolle samenwerking. Totdat de journalist informeert naar de problemen tijdens de samenwerking: ‘Waren die louter van esthetische aard?’ Ferdinand en Johanna Bordewijk kijken elkaar even aan, een kleine gniffel laat zien dat de twee soulmates zijn, die elkaar 48 jaar eerder al hadden gevonden.

Wie Bordewijk leest, heeft niet direct de associatie met een gelukkig getrouwd man. De stugge schrijver – die naam maakte met zijn hoekige Knorrende beesten (1933), Blokken (1931) en Bint (1934) en zijn grote doorbraak kreeg met Karakter (1938), waarin de vader niet overloopt van warme gevoelens voor de moeder van zijn zoon – stond erom bekend dat hij weinig van zichzelf liet zien. Zijn laatste roman De Golbertons (1965) is er nota bene eentje waarin het huwelijk heen en weer schommelt tussen liefde en haat, stelt neerlandica Elly Kamp in Ferdinand en Johanna. Haar dubbelbiografie is niet alleen een mooi portret van een huwelijk tussen twee kunstenaars.

In 1914 trouwden ze. Ze hadden elkaar al enkele jaren daarvoor leren kennen en de families kwamen bij elkaar over de vloer. Ferdinand Bordewijk kwam uit een gezin met een ziekelijke moeder en een onrustige vader, die er niet alleen de merkwaardige gewoonte op na hield om elke paar jaar te verhuizen, maar ook om zonder overleg met zijn vrouw zijn zonen zoveel mogelijk voornamen te geven. Ferdinand Bordewijk kreeg er zes – toen hij oud genoeg was liet hij ze, op Ferdinand na, officieel verdwijnen.

Johanna Roepman kwam uit een onmuzikaal, ludiek gezin. De moeder maakte ontdekkingstochten door het land. Haar oudere zusje zweefde soms tussen hemel en aarde. Bij een van die tripjes was ze zelfs zo diep gegaan dat ze ongemerkt zwanger was geworden van de broer van Bordewijk. De mogelijkheid dat ze gewoon gemeenschap had gehad, sloot ze het liefst uit.

Dat de weinig doorsnee houding van de familie Roepman soms oversloeg op de familie Bordewijk laat een foto uit 1912 zien waarop de zusters Roepman in mannenkleren staan en de zoons Bordewijk vrouwenkleren dragen. Waar het gezellige huwelijk van F. Bordewijk al een beetje verraste, zag je de afstandelijke schrijver in travestie nog veel minder aankomen. En ook kijk je op wanneer je leest van de vader die zijn puberdochter met een badborstel op haar blote kont slaat wanneer ze te laat thuiskomt, al zou je wat Bint-achtige tucht kunnen vermoeden.

Kritiek

Ferdinand en Johanna zouden elkaar hun leven lang steunen in hun ideeën en verzet tegen hen die kritiek op ze uitoefenden of zwart maakten. Of hun kinderen ook gelukkig waren? Dat verhaal kent twee kanten. Zoonlief heeft zijn jeugd als gemoedelijk ervaren, op incidenten na. De dochter kijkt terug op een eenzame jeugd en zwaar straffende ouders die zich telkens terugtrekken om te werken.

In plaats van elkaar te beconcurreren in zucht naar erkenning, vonden de twee echtelieden steun bij elkaar. De eerste vijftien jaar van hun huwelijk boden gezamenlijke verontwaardiging: het werk van beiden werd door de buitenwereld niet erg gewaardeerd. De Fantastische verhalen van Bordewijk waren volgens critici teveel gerelateerd aan Edgar Allan Poe, de composities van Johanna Bordewijk te onaangenaam om naar te luisteren. Dat laatste zal ook komen omdat Johanna een stellige muziekopvatting had: ‘muziek stelt niks voor als je het kan zingen’. Ondertussen modderde Bordewijk door, zijn eerste uitgaven betaalde hij zelf, en pas begin jaren dertig kreeg hij de waardering waar hij op hoopte. Blokken en Knorrende beesten werden als iets bijzonders herkend, Bint ook, maar daaromheen ontspon zich de discussie of dit een fascistisch boek was of niet.

Kamp concludeert dat Bint wellicht het beste gelezen kan worden als een ‘hard gevecht met de emotionele wankelheid die Bordewijk in zichzelf wist te bestrijden, maar waarmee hij zijn geliefde vrouw Johanna zag worstelen’. Dat klinkt vergezocht, maar dan is deze – soms wat brave – biografie al zo ver op streek dat je er graag in meegaat. Fascinerend is het om te lezen hoe lang Johanna worstelde in haar zoektocht naar erkenning. Ze vindt pas echt waardering na 1945, wanneer ze een compositie mag opdragen aan Wilhelmina, die bewondering voor Johanna had vanwege haar verzetsactiviteiten. Succes en erkenning kwamen er dus, maar dat ze terug konden kijken op een gelukkig leven, was volgens Kamp vooral te danken aan een gelukkig huwelijk. Amen.