Wie gaat er vandoor met de opbrengst van hun grond?

Grote landaankopen The Land Matrix houdt bij wie landbouwgrond in arme landen koopt. Nederland is een grote speler.

Nederland zesde koper landbouwgrond ©

Landjepik, ofwel land grabbing. Sinds 2008 is wereldwijd ruim 40 miljoen hectare grond in handen gekomen van buitenlandse investeerders. Dat is ongeveer 0,8 procent van het totale landbouwareaal in de wereld, een gebied groter dan heel Duitsland. Dat schrijft The Land Matrix Initiative in het rapport International Land Deals for Agriculture dat deze dinsdag is verschenen.

Lees ook het bijbehorende nieuwsbericht: Nederland doet veel aan ‘landjepik’ in de derde wereld

De organisatie houdt zo nauwkeurig mogelijk bij welke deals er worden gesloten, welke bedrijven de grond kopen, wat ze verbouwen en in welk stadium van ontwikkeling de projecten zijn. Bij The Land Matrix spreken ze liever niet van ‘land grab’. Ze houden het neutraal op ‘grootschalige internationale landaankopen’.

Landbouw

Die landdeals bestaan al lang, vooral in de mijnbouw en bij grote infrastructurele projecten, maar voor de landbouw is recent een opmerkelijke stijging te zien, vertelt Wytske Chamberlain, een van de auteurs van het rapport in een skype-gesprek vanuit Johannesburg. De eerste verhalen stammen uit 2006 en culmineren in 2008.

Het was een tijd dat voedselprijzen sterk fluctueerden. „Investeerders gingen ervan uit dat de prijzen zouden stijgen en zagen nieuwe kansen”, zegt Chamberlain:

„En overheden vreesden dat door de toenemende kosten voor landbouwproducten de voedselzekerheid van de eigen bevolking in gevaar zou komen.”

111016bui_landgrabbingh

Stijgende broodprijzen en voedselrellen, bijvoorbeeld in Egypte, maakten regeringen nerveus. Basisvoedsel als tarwe, maïs, soja en suiker werden in korte tijd soms wel 20 tot 40 procent duurder. Landen als Argentinië en Rusland dreigden hun grenzen tijdelijk te sluiten voor de uitvoer van sommige gewassen, wat de prijzen alleen maar verder opstuwde. Zou de situatie ooit nog normaliseren, vroegen velen zich af, nu het klimaat opwarmde, de wereldbevolking maar bleef groeien en de concurrentie met gewassen voor biobrandstoffen toenam.

Onder andere China en Saoedi-Arabië werden in de meeste verhalen als boosdoeners aangewezen. Afrika, en in iets mindere mate ook delen van Azië en Latijns-Amerika, waren het slachtoffer.

Maar klopt dat ook? In ieder geval wat China betreft zeker niet. Dat de Chinese overheid massaal grond in Afrika zou opkopen ten behoeve van de voedselvoorziening in eigen land, is in de data niet terug te vinden. Nederland blijkt een grotere investeerder dan China.

Volgens Chamberlain is het nog steeds moeilijk om inzicht te krijgen in de effecten van de landaankopen. „Veel van de aanvankelijke plannen gingen uiteindelijk niet door, of op een veel bescheidener schaal dan de bedoeling was. Het blijkt niet zo gemakkelijk om grote lappen grond te vinden die voldoen aan de wensen van investeerders.” Bovendien begonnen de voedselprijzen al snel weer te dalen en de rendementen leken tegen te vallen. De jatropha, een plant die dient als grondstof voor biobrandstoffen, groeide toch wat minder snel dan werd gedacht.

„De cowboy-investeerders uit de beginjaren zijn daarna verdwenen”, zegt Chamberlain.

„Maar aan de grondverkopen is geen einde gekomen. De aanlooptijd van dit soort projecten is redelijk lang. Nu pas beginnen de gevolgen voor de lokale gemeenschap zichtbaar te worden.”

Eerlijke informatie

Op de website landmatrix.org houdt de organisatie alle deals precies bij. In het rapport wordt een voorlopige balans opgemaakt. „Heel belangrijk is dat de plaatselijke bevolking vanaf het begin bij een project betrokken wordt”, aldus Chamberlain. „Maar dat gebeurt zelden.” Van de 161 projecten die in het rapport zijn onderzocht, werd slechts in 22 gevallen ‘vooraf, vrij, eerlijk en goed geïnformeerd’ gesproken over de gevolgen. Bij 70 projecten waren er hooguit ‘beperkte consultaties’. In alle andere gevallen werd de bevolking niet geraadpleegd.

Dan is de kans groot dat de lokale gemeenschap de dupe wordt van de landaankopen. „Mensen moeten eerlijk gecompenseerd worden voor de verliezen”, zegt Chamberlain.

„Maar in de praktijk krijgen ze vaak land terug van mindere kwaliteit, of in een gebied dat ver weg ligt van hun thuismarkt. Beloftes voor de bouw van een school of kliniek worden niet nagekomen, of veel later dan verwacht.”

Slechts in een derde van de gevallen wordt de bevolking ook daadwerkelijk gecompenseerd – en meestal maar voor een klein deel. Zo wordt wel gekeken naar de landbouwgrond die boeren kwijtraken, maar niet naar bijvoorbeeld bossen of de watervoorziening. Terwijl die voor lokale boerenbedrijfjes vaak essentieel zijn.

Datzelfde geldt voor het land waar nomaden hun vee op laten grazen. Het is van niemand en dus hoeft niemand te worden gecompenseerd als buitenlandse bedrijven die grond gaan gebruiken. Ook veengronden en moerassen komen in de statistieken soms voor als ‘marginale gebieden’. Door ze te gaan gebruiken voor landbouw dreigt nogal eens ernstige schade voor ecosystemen en milieu.

Arme landen hebben zelf vaak hoge verwachtingen van deze investeerders. Ze hopen op betere infrastructuur en werkgelegenheid. Er zijn projecten die daar redelijk in slagen. Maar het kan ook fout gaan.

De gevolgen daarvan zijn nu zichtbaar in Ethiopië. Het land werd de afgelopen jaren alom geprezen voor zijn snelle economische groei, die vooral met buitenlands geld werd gefinancierd. Maar de plaatselijke bevolking deelt onvoldoende in die groei en ziet in die investeerders nu de boosdoeners. Want zij gaan er vandoor met de opbrengst van hun grond.