Leonid (16) weet alles van zijn Kalasjnikov

Militaire jeugdverenigingen In de Donbas worden tieners opgeleid voor het grote werk. Vijf voormalige leden vechten inmiddels mee met de pro-Russische separatisten. Een van hen was net zeventien toen hij van huis wegliep.

In Mospino, in de regio van Donetsk, traint de militair-patriottische jeugdclub Cascade. Foto Konstantin Salomatin

Een Kalasjnikov in elkaar zetten is toch lastiger dan je denkt.

„Nee, niet zo’’, zegt Leonid (16). Met zijn smalle jongenshanden monteert hij de AK-47: klik, klik, klik. „Gesnapt?’’

Foto Konstantin Salomatin

Foto Konstantin Salomatin

We zijn in Mospine, een klein plaatsje onder de rook van Donetsk. Vandaag wordt er geoefend bij de militair-patriottische jeugdclub ‘Cascade’. Terwijl de oudere jongens aan het sparren waren in het geïmproviseerde gymzaaltje hiernaast (score: één bloedneus), hebben de kleintjes zich vertrouwd gemaakt met wapens waarmee in het oosten van Oekraïne nog elke dag wordt gevochten. Acht kilometer hier vandaan ligt Ilovajsk, waar in de zomer van 2014 Oekraïense vrijwilligers in de pan werd gehakt door eenheden van het Russische leger.

Nu zijn ook de oudere jongens – bezweet en nahijgend – er bij komen zitten. Zoals Leonid, die meer weg heeft van een concertpianist dan van een commando, maar die vast van plan is volgend jaar toe te treden tot de militaire school in Donetsk.

„Je moet strijden voor het vaderland.”

Op de vraag van de verslaggever wie er nog meer in dienst wil, gaan bijna alle handen omhoog.

Geen padvinders

‘Cascade’, zo veel is duidelijk, is geen padvindersclub. Vijf voormalige leden vechten inmiddels mee met de pro-Russische separatisten. Een van hen was net zeventien toen hij van huis wegliep, zo vertelt Andrej Lichatski, die de leiding heeft.

„Niet dat wij dat stimuleren. Wij hebben liever dat ze gaan studeren.”

Cascade bestond al voor de Maidan-revolutie (2014) en voor de oorlog, toen Ospino nog gewoon in Oekraïne lag. Maar ook toen al was de club sterk Russisch gekleurd. Dat is niet zo vreemd: de meerderheid van de inwoners van de Donbas spreekt Russisch en voelt zich nauw verbonden met het grote buurland. En hoewel ook de Oekraïense nationalisten jeugdbewegingen hebben – sommige met een militair karakter – zijn de ‘militair-patriottische’ jeugdclubs een typisch Russisch verschijnsel.

Foto Konstantin Salomatin

Foto Konstantin Salomatin

De eerste jeugdbewegingen ontstonden in het reactionaire klimaat van het late Russische Keizerrijk. De communisten zetten de traditie voort, in de vorm van de pioniers de rode jeugd, en de Komsomol. Maar de huidige clubs hebben hun wortels vooral in de tweede helft van de jaren tachtig. In Afghanistan tekende zich een pijnlijke nederlaag af, de Sovjet-Unie stond op omvallen. Afghanistan-veteranen wilden de tekortkomingen van het Sovjetleger compenseren met een nieuw militair élan: te beginnen bij de jeugd.

Anno 2016 hebben de militaire jeugdclubs een grote vlucht genomen: alleen al in Moskou, zo schreef de Russische krant Novaja Gazeta in 2014, zijn er 200 verenigingen met 10.000 leden. De clubs vormen een groot informeel netwerk en onderhouden nauwe banden met ultra-rechtse nationalisten, de Russisch Orthodoxe Kerk, en met organisaties die betrokken zijn met het ronselen van vrijwilligers voor de oorlog in de Donbas. De clubs worden niet gesteund door de Russische overheid – tenminste niet openlijk.

Foto Konstantin Salomatin

Foto Konstantin Salomatin

In Donetsk ligt dat anders. De politieke leiding van de zelfverklaarde ‘Volksrepubliek’ heeft besloten de patriottische clubs te verheffen tot regeringsbeleid. Het bezoek aan Cascade staat onder leiding van de plaatsvervangend minister van Sport en Jeugdbeleid Aleksej Jarosj, een joviale dertiger die zelf om het hardst lacht om zijn achternaam – naamgenoot Dmitri Jarosj is de leider van de Oekaïense extremistische beweging ‘Rechtse Sector’. „Voor de oorlog lag de nadruk vooral op de omgang met wapens”, vertelde de plaatsvervangend minister.

„Wij werken aan veel breder programma, waarin de patriottische vorming centraal staat. Kennis van de eigen straat, de eigen streek. De helden van de Grote Vaderlandse Oorlog (1941-1945). Zo komen we vanzelf bij liefde voor het Vaderland.”

Vaderland

Maar wat is dat vaderland eigenlijk? Jeugdleider Andrej Lichatski werd geboren in het noorden van de Kaukasus. In 1991 diende hij bij de KGB-troepen op de Krim, en speelde hij een kleine rol in de putsch tegen Sovjetleider Gorbatsjov, die op zijn vakantiebestemming werd vastgehouden. De staatsgreep mislukte, en de Sovjet-Unie bestond ineens niet meer. „Iedereen die Oekraïne wil dienen een stap vooruit, zeiden ze. Ik bleef staan.

Lichatski kwam terecht in Mospine, schopte het tot het hoofd van de politie. Toen kwam de Oranje-revolutie van 2004, de generale repetitie van de Maidan, waarbij de verkiezing van de pro-Russische presidentskandidaat Janoekovitsj werd teruggedraaid en president Joesjtsjenko aan de macht kwam. De ‘Russische’Lichatski werd ontslagen. Om iets te doen te hebben richtte hij Cascade op.

„Ik voedde ze op met de helden van de Donbas. We gingen op excursie naar Krasnodon, waar de mijnwerkers die niet voor de Duitsers wilden werken levend werden begraven.

Foto Konstantin Salomatin

Foto Konstantin Salomatin

Patriottisme, wil Lichatski daarmee zeggen, is iets anders dan politiek – zelfs nu. „Wij voeren geen oorlog tegen het Oekraïense volk, maar tegen de machthebbers in Kiev.” Plaatsvervangend minister Jarosj knikt er enthousiast bij. Op weg hier naartoe heeft hij de nadruk gelegd op de ideologie.

„De strijd om de geesten van deze jonge generatie mogen we niet verliezen”, zei hij.

En de jongeren zelf? Die denken aan vechten. Valera (15) wil eerst autotechniek doen, en daarna naar de militaire school. En Leonid (16) gaat dus volgend jaar al de militaire academie.

„Maar ik weet nu al hoe ik met een wapen moet omgaan.”

Zjenja (7), de jongste van het stel, hangt achterover in een bureaustoel, met een pistool tussen zijn vingers. „Ik wil me kunnen verdedigen”, zegt hij. Wil hij soldaat worden? Hij denkt even na, schudt zijn hoofd: nee.

„Hoorde je dat”, zegt plaatsvervangend minister Jarosj, als we naar buiten lopen.

„Hij zei verdédigen. Dus níet aanvallen.”