Recensie

Orewoet leest als drie romans in één

Boek

Emy Koopmans Orewoet lijkt eenvoudig te beginnen, met een klassiek Vatersuche-motief, maar ontpopt zich tot meerstemmige ontwikkelingsroman. Waarin de personages om elkaar en één man cirkelen.

De man om wie het in Orewoet allemaal draait, blijft ongrijpbaar. Hij hangt tussen de drie vertellers in: hij leeft in hun herinneringen en zij leven met de gevolgen van zijn bestaan. Lucas Brandmeester was de vader van Alex en dat komt die laatste, een puber, pas te weten als zijn moeder hem naar Lucas’ begrafenis meetrekt. Op de foto’s ziet hij een gezicht dat zijn eigen gezicht zou kunnen zijn. Alex mag zijn identiteit gaan her-overwegen.

Zo lijkt het eenvoudig te beginnen, als een ontwikkelingsroman met een klassiek Vatersuche-motief, maar in dat eerste hoofdstuk van Orewoet wordt ook duidelijk dat debutant Emy Koopman (1985) niet alleen dát verhaal schrijft, maar meer, iets bijzonderders. De sterke zinnen die als rake penseelstreken Alex’ jeugd neerzetten in kort bestek – van diepvriespizza’s uitkiezen tot bushokjes slopen en blowen – terwijl anderen daar een heel boek mee zouden vullen, tekent de ambitie. Wat je van Orewoet nog het meest bijblijft is hoe de roman gaandeweg steeds weer over iets anders blijkt te gaan, hoe die zich verdiept en steeds gelaagder wordt.

In het tweede hoofdstuk schieten we terug naar 1972. May, Alex’ moeder, had net De Beauvoir gelezen, en toch viel ze voor een man, Lucas, die ‘een natuurkracht’ was: ‘Hij zegt niet vaak iets, maar als-ie iets zegt, dan is ’t ook meteen een stroom van waarachtigheid.’

Het gevoel dat daar ontspruit: daarnaar verwijst het gekke woord dat de titel is, orewoet. Het is dertiende-eeuws Middelnederlands voor ‘liefde die grenst aan waanzin’, een oergevoel van liefde. ‘De mystica Hadewijch gebruikte het om haar eeuwige, onstilbare, overweldigende verlangen naar onze Heere Jezus Christus uit te drukken’, leren we van Dirk – de tweede verteller, en May’s geheime aanbidder.

Zo gaat Orewoet ook over de jaren zeventig, de jaren van de hippies en de tweede feministische golf. Dat feminisme van toen, was dat wel verenigbaar met May’s gevoel, haar orewoet? Het was óók de tijd van de anti-psychiatrie, van de opvatting dat iemand geen psychische aandoening kón hebben, dat diegene gewoon onconventioneel was – daarover gaat Lucas’ verhaal, die zelf (toch) opgenomen wordt. De acceptatie van de waanzin versus de romantische liefde – een dwingende plot heeft Koopman niet nodig, de spanning zit al in de personages, hun tijd en hun omgeving.

Valse verleiding

Tegenover Lucas staat weer Dirk, de man in control: ontworsteld aan verstikkend christendom heeft hij nu de waarheid in pacht, en ook de vrouw. Denkt hij. Hij probeert May voor zich te winnen door haar als een hapje aan het monster Lucas te voeren, want hij weet: ‘Als Lucas doet wat hij altijd doet, zal zij huilend in mijn armen eindigen.’ Dirk probeert May vervolgens te verleiden door in Lucas’ naam en handschrift liefdesbrieven te schrijven, terwijl Lucas in een inrichting zit. Alsof de vervalser Dirk de macht over de taal heeft, en over de vrouw.

De enige die hier de macht over de taal heeft is Koopman, en die doet er iets goeds mee. Je zou het idee kunnen krijgen dat de personages typen zijn, de belichamingen van ideeën. Dat is een beetje zo, maar ze zijn ook meer dan dat. Koopman gaf haar vertellers in feite elk hun eigen ontwikkelingsroman, om elkaar heen cirkelend, met Lucas als gapend middelpunt. Dirk spreekt tot ons in welluidende volzinnen, Alex is eigentijds eclectisch, zoekend. Ironisch genoeg horen we May, de vrouw dus, pas ver na de helft van de roman zélf spreken, als derde verteller – in een wat gehaaste, elliptische stijl, alsof ze beschadigd is. Elk in hun eigen stem komen de drie tot leven: knap en veelbelovend, als een debutant daarin slaagt.

Die meerstemmigheid is de kracht van Orewoet. We zien meer perspectieven en horen meer waarheden en dat blijkt geen enkel obstakel voor een coherent geheel. Zonder eenduidige betekenis, weliswaar. Net als Lucas, die blijft ‘opgesplitst in verschillende gestalten’. We voelen de fascinatie die iedereen voor hem heeft met hen mee: wat volledig te verklaren is, laat geen ruimte voor eigen invulling meer, en stelt vooral teleur.