Tech voor doven: wat vinden doven er eigenlijk zelf van?

Tech voor doven

Communicatietechnologie voor doven ontwikkelen lijkt een nobele missie. Maar worden doven zelf wel betrokken?

Illustratie Tjarko van der Pol

‘Kan iedereen me goed horen?”, vraagt Jari Hazelebach tijdens zijn presentatie op de Philips Innovation Awards 2016. Het publiek mompelt instemmend. „Van twee mensen in het publiek weet ik dat ze me niet kunnen horen: mijn ouders. Ze zijn allebei doof vanaf hun geboorte.”

Met deze persoonlijke boodschap presenteerde Hazelebach afgelopen zomer de nieuwe app van zijn startup Ava. Hiermee kunnen doven en slechthorenden beter volgen wat er in een groepsgesprek gezegd wordt. De app werkt zo: alle gespreksdeelnemers downloaden de app en praten richting hun telefoon. Hun woorden worden direct omgezet in tekst, waarna de dove op zijn eigen scherm kan meelezen wat er gezegd wordt.

Op dit moment is de technologie in het Engels ongeveer 90 tot 95 procent accuraat, mits de omstandigheden ideaal zijn. Spreekt iemand binnensmonds, met een accent, of is er veel achtergrondgeluid, neemt dat percentage af. De app is sinds begin september te downloaden.

Persoonlijke link

Ava is gevestigd in de Verenigde Staten, maar de oprichters Pieter Doevendans en Thibault Duchemin zijn Nederlands en Frans. Ook Duchemin groeide op met dove ouders, vertelt Hazelebach, die verantwoordelijk is voor de zakelijke ontwikkeling van het bedrijf. De technisch directeur van het team, Skinner Cheng, is zelf doof.

Dat de teamleden hun persoonlijke link met doofheid zo benadrukken is begrijpelijk, want technologie voor doven wordt niet altijd enthousiast ontvangen in de dovengemeenschap. Zeker als de bedenkers ervan zelf niet doof zijn, klinkt er kritiek.

Neem een uitvinding van twee Amerikaanse studenten eerder dit jaar: een met sensoren uitgeruste handschoen, die met behulp van een computer gebarentaal omzet in gesproken of geschreven taal. Het filmpje waarin ze hun uitvinding demonstreren ging viral op sociale media, en het duo won de prestigieuze Lemelson-MIT Student Prize.

Veel doven zagen de handschoen echter als wéér een ineffectieve gadget waarmee je ook nog eens voor gek loopt. Wéér een technologie die vooral bedoeld lijkt voor de horende gebruiker, niet voor de dove.

Zie hier de video met de slimme handschoen van SignAloud, winnaar van de Lemelson-MIT Student Prize (tekst gaat verder onder de video):

Gevoelig

Om te begrijpen waarom zulke technologie gevoelig ligt, moet gekeken worden naar het verleden. Dove mensen werden lange tijd als minderwaardig gezien, en werden in het Nederlandse dovenonderwijs tot in de jaren 70 zelfs verboden om gebarentaal te gebruiken. „Het werd ook wel een apentaal genoemd”, zegt Anja Hiddinga. Zij werkt als onderzoeker en universitair docent Antropologie aan de UvA en is gespecialiseerd in doofheid en gebarentaal. „De oudere generatie doven is nog opgegroeid met het idee: je bent als dove niet geslaagd als je niet kunt spreken of liplezen.”

Pas sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt gebarentaal in het onderwijs gebruikt. Vanaf 1996 hebben alle Nederlandse dovenscholen officieel een tweetalig beleid, met gebarentaal als eerste taal. Een belangrijke stap vooruit, stelt Hiddinga. „Maar nog altijd denken sommige horende mensen dat gebarentaal geen volwaardige equivalent is van gesproken taal.”

Daar zit ook het probleem met nieuwe technische snufje voor doven. Een groot deel van de dovengemeenschap – vooral mensen die doof geboren zijn – beschouwen hun doofheid niet als handicap. Hun manier van communiceren is anders dan in de horende wereld, maar zeker niet minderwaardig.

Dat veel van deze technologieën vooral ontwikkeld lijken om horende gebruikers tegemoet te komen, vinden ze frustrerend. Het impliceert dat zij degene zijn met een probleem, en bovendien verantwoordelijk zijn voor het aandragen van een oplossing.

Neem het voorbeeld van de slimme handschoen. In feite degradeert die de geavanceerde gebarentaal tot een Jip en Janneke-versie. Gebarentaal is namelijk veel meer dan handgebaren maken, ook de gezichtsmimiek speelt een belangrijke rol. Zo wordt de grootte van een object – een boek, bijvoorbeeld – gecommuniceerd door de wangen bol te blazen. Bolle wangen betekent een dikke pil. Ingezogen wangen: een dun boekje.

Wéér een technologie die vooral bedoeld lijkt voor de horende gebruiker, niet voor de dove.

Steeds weer die handschoen

Ook op kantoor bij Ava ligt een prototype van een slimme handschoen, een herinnering aan hoe het bedrijf drie jaar geleden begon. „Het is grappig: bijna elke startup die iets wil ontwikkelen voor doven, komt als eerste uit bij een handschoen”, zegt Hazelebach. „Maar gaandeweg, toen we met de doelgroep gingen praten, bleek dat doven en slechthorenden hier geen behoefte aan hadden. Dus is de focus verlegd naar groepscommunicatie. Daar was wel animo voor.”

Doevendans: „Het concept van de handschoen was niet slecht, it made sense. Maar als je er langer over nadenkt: niemand gaat met zo’n ding over straat lopen.”

Ondernemer Pascal Ursinus denkt er ook zo over. Als kind werd hij slechthorend, wat uiteindelijk resulteerde in doofheid. Tegenwoordig hoort hij enigszins met behulp van een cochleair implantaat, dat geluid omzet in elektrische impulsen. „Het zijn horenden die steeds met zo’n handschoen komen; doven zitten er niet op zitten te wachten”, bevestigt hij. „Vergelijk het met een situatie waarin een wit persoon een zwart persoon een potje zalf geeft en zegt: smeer dit op, dan ben je beter beschermd tegen vooroordelen.”

Ursinus is een voorstander van technologie: hij volgt ontwikkelingen op de voet en probeert zoveel mogelijk uit. Hij is onder meer verantwoordelijk voor KPN Teletolk. Dit is een bemiddelingsdienst waarmee doven en slechthorenden kunnen bellen, bijvoorbeeld via gebarentolken.

Volwaardige gesprekspartner

Toch moet hij vaak constateren dat nieuwe technische snufjes voor doven niet goed genoeg zijn om een volwaardige vervanging te zijn van een schrijf- of gebarentolk. Neem de spraakherkenningssoftware die de basis vormt voor Ava. Ursinus zou graag zien dat die vlekkeloos zou werken. Het zou de doelgroep minder afhankelijk maken van tolken, waardoor zij gelijkwaardiger kunnen deelnemen aan de maatschappij.

Maar zover is het nog niet. „Je mist bepaalde nuances. In zo’n vergadering klinkt soms geroezemoes, mensen spreken met volle mond, springen van hak op de tak, en de software pikt dat niet op. Als het transcript niet honderd procent accuraat is, ben je geen volwaardige gesprekspartner.”

Dat is onacceptabel, vindt hij. Zeker omdat een Nederlandse dove werknemer wel degelijk een volwaardige gesprekspartner kan zijn in een vergadering: wie doof is krijgt vijftien procent van de werktijd een doventolk ter beschikking. De kosten worden vergoed door het UWV. „Ik vrees dat horende mensen bij een app als Ava zullen denken: dat is handig, nu zijn tolken minder hard nodig. Met als gevolg dat ze vinden dat de vergoeding voor een doventolk ook wel wat naar beneden mag.”

Hazelebach heeft begrip voor dit standpunt. „We weten dat onze app bepaalde verwachtingen creëert. Sommige mensen overschatten de mogelijkheden. Maar wij voeden die ideeën niet. Ava is op dit moment nog niet even accuraat als een schrijftolk, daar zijn we eerlijk in.” Zelf beschouwt hij de app daarom als aanvullend, niet als een vervanger. „In sommige gevallen kan Ava wel de eerste keus zijn. Mijn vader vindt het bijvoorbeeld niet prettig om een tolk mee te nemen naar vergaderingen. Maar Ava gebruikt hij wél.”

    • Anouk Vleugels