Epische rock in de woestijn

Reportage Desert Trip Festival

Zeventigduizend mensen bezochten in de woestijn een reünie van Stones, Young, Dylan, Who en McCartney.

Paul McCartney en Neil Young op Desert Trip Foto Reuters/MARIO ANZUONI

1010CULpremiereMick

Mick Jagger weet zelf ook wel dat hij niet meer de jongste is. En dat de Coachella Valley, de plek in de Californische woestijn waar hij vrijdag met The Rolling Stones optreedt op het Desert Trip festival, voornamelijk door pensionado’s bevolkt wordt. „Gaan jullie een wild rock-’n-rollweekend beleven in Palm Springs?”, roept de 72-jarige zanger het publiek pesterig toe. Om vervolgens zijn 69-jarige bandgenoot voor te stellen als Ronnie ‘double diapers’ Wood.

Slechts zes bands treden er op tijdens het driedaagse Desert Trip - naast de Stones werden ook Bob Dylan, Roger Waters, Paul McCartney, The Who en Neil Young gestrikt. Allemaal zo legendarisch dat de 70.000 bezoekers er vele honderden dollars voor over hebben en er duizenden kilometers voor willen reizen om ze te zien. Zoals Andrew en Suzanne Cox uit Byron Bay, Australië. „Het zijn zulke iconische bands”, zegt Andrew. „Ik ben blij dat er niemand is overleden sinds ik de kaartjes gekocht heb.”

De concurrentie tussen de rock-iconen is nog steeds onverminderd groot. Het is maar de vraag wie van de heren het fitste is.

Alles is groot, groter, grootst op Desert Trip, van het immense podium tot de speciaal gebouwde torenhoge tribunes en de ge-airconditionde expositietent waar honderden popfoto’s de prille jaren van de deelnemende bands in beeld brengen. Culinaire arrangementen, een leger aan gastvrije suppoosten, eindeloze rijen luxe toiletwagens – alles is eraan gedaan om de bezoeker een onvergetelijke ervaring mee te geven. Gecombineerd met de surrealistische reis door de woestijn, die door een Flintstone-achtig rots- en cactuslandschap leidt en eindigt in een oase vol palmbomen en luxe resorts, is dit een evenement dat zijn gelijke niet kent.

Dylan: oude man met witte hoed

Het is nog steeds 35 graden Celsius als Bob Dylan vrijdagavond het podium betreedt. De zon is net ondergegaan achter de kale bergkammen en opeens, onaangekondigd, zit hij daar achter zijn piano, een oude man in een zwart pak en een witte hoed op.

Ik ben blij dat er niemand is overleden sinds ik de kaartjes gekocht heb.

Met zijn diepe, karaktervolle stem zet hij ‘Rainy Day Woman’ in, zijn song uit 1966 met de legendarische zin ‘Everybody must get stoned’. Het publiek, dat qua gemiddelde leeftijd in de buurt komt van dat van de artiesten, waant zich weer in de sixties.

Die nostalgie wordt gevoed door de beelden op de videoschermen, waar zwartwitfoto’s van typische Amerikaanse onderwerpen voorbijtrekken: ja-knikkers, spoorbruggen, neonreclames, Route 66. Tijdens de eerste nummers worden die beelden nog afgewisseld met live close-ups van Dylan zelf, maar na een nummer of zes kijkt de zanger geërgerd om naar de cameraman en houden de videobeelden op. De zanger is dan nog maar een stipje in de verte. Het maakt zijn optreden onnodig afstandelijk.

Zelf doet Dylan weinig moeite om het zijn publiek naar de zin te maken. In de anderhalf uur dat hij op het podium staat, richt hij zich met geen woord tot de toeschouwers. Tientallen legendarische songs heeft hij om uit te kiezen, maar zijn grote hits spelen doet hij niet. Alleen de verstokte Dylan-fans zullen nummers als ‘Don’t Think Twice, It’s All Right’ uit 1962 of ‘Highway 61’ uit 1965 kunnen meezingen. En toch raakt Dylan je, met zijn stem die met de jaren alleen maar beter wordt, heser en dieper, soms gruizig als Tom Waits, soms breekbaar als de late Johnny Cash.

Dansen naast je klapstoeltje

Als de Stones een uur later het podium betreden, begint het feest waar iedereen op heeft zitten wachten. Van openingsnummer ‘Start Me Up’ tot afsluiter ‘Satisfaction’ staan bezoekers te dansen naast hun meegebrachte klapstoeltjes. Hoog boven het veld, in de skyboxen die zijn ingericht met sixties-meubelen, bekijkt Sir Paul McCartney met een verrekijker hoe zijn collega’s het er vanaf brengen. Als Mick Jagger even later aankondigt een nummer te gaan spelen van „een ander bekend Brits bandje” en de klanken van ‘Come Together’ van The Beatles door de woestijnnacht schallen, staat McCartney met zijn armen in de lucht te dansen in zijn skybox.

Een dag later, wanneer McCartney zelf op het podium staat, brengt hij een vergelijkbaar saluut door ‘I Wanna Be Your Man’ te spelen, een nummer dat de Stones in 1963 als single opnamen. Het is tegelijk een beetje een pesterig eerbetoon, omdat McCartney het nummer zelf schreef. De concurrentie tussen beide rock-iconen is nog steeds onverminderd groot, zo bewijst Desert Trip maar weer. Het is maar de vraag wie van de heren het fitste is. Want ook McCartney oogt op zijn 74ste jonger dan ooit. Twee uur lang speelt hij de beste nummers uit zijn enorme repertoire, niet alleen Beatles-klassiekers als ‘Let It Be’ en ‘Hey Jude’, maar ook werk van zijn allereerste bandje The Quarrymen en zijn latere band Wings.

McCartney maakt van zijn show een wat zoetsappige, sentimentele reis door het verleden en vertelt talloze vermakelijke anekdotes uit de oude doos. Hij draagt liedjes op aan zijn huidige vrouw Nancy (‘My Valentine’) en zijn overleden vrouw Linda (‘Maybe I’m Amazed’), en brengt odes aan overleden vrienden als John Lennon, Jimi Hendrix (een instrumentele versie van ‘Foxy Lady’), George Martin en George Harrison. Het is wat gelikt, met felgekleurde visuals op videoschermen en met vuurwerk dat aan het eind van de set richting de sterrennacht geschoten wordt, maar ook groots en meeslepend.

Neil Young is intenser dan ooit

Veel verrassender is het optreden van de Canadese folkzanger Neil Young, eerder op de zaterdagavond. Op een podium vol tipi’s met opschriften als ‘water is life’, verwijzend naar de waterrechtenissues in de indianenreservaten van Californië, brengt hij een ontroerende, politieke show. Youngs thema’s zijn in vijftig jaar tijd nauwelijks veranderd. Nog altijd kaart hij belangrijke problemen als milieuvervuiling en waterschaarste aan, simpelweg omdat ze niet zijn opgelost.

Na zijn vierde song ‘Mother Earth’ komen er mannen in witte pakken het podium op om gif op planten te spuiten. Op het pathetische af, maar hier in de woestijn komt Young ermee weg. Iedereen die de trip naar Coachella heeft afgelegd, heeft kunnen zien hoe droog het land is en hoe krankzinnig om hier groene golfterreinen en polovelden te onderhouden. En dus komt Youngs klaagzang in de dorre vallei, diep oprecht over. Hij doet het zonder spetterend vuurwerk, slechts gekleed in een vaal verwassen T-shirt en spijkerbroek, maar met een stem die op zijn zeventigste intenser klinkt dan ooit.

Als aan het eind van de avond Neil Young opnieuw op het podium stapt om samen met McCartney de Beatles-song ‘A Day in the Life’ uit 1967 te spelen, krijgt het publiek eindelijk waar het op gehoopt had: een reünie van rockgrootheden. „Dit is onvergetelijk”, zegt Taylor Patterson uit North Carolina, die met zijn 28 jaar veruit tot de jongste bezoekers hoort. Voor Patterson kan het weekend niet meer stuk. „Dit was echt episch”, blijft hij maar verzuchten. „Zoiets gaan we nooit meer meemaken.”

Een stel jonge jongens

Op de derde dag blijkt dat het uithoudingsvermogen van de oude rockers groter is dan dat van het publiek. Terwijl The Who als een stel jonge honden van start gaan met hits als ‘Who Are You’ en ‘My Generation’ hangen de meeste toeschouwers nog uitgeteld op hun stoelen. Zanger Roger Daltrey mag dan wat strammer ogen en gitarist Pete Townsend zingt soms net een beetje vals, maar wat geeft het. De lol spat van de band af. Ze spelen strakker dan menige jonge band, zo goed zijn ze op elkaar ingespeeld, al meer dan vijftig jaar.

Roger Waters sluit het festival af met een theatrale show in de stijl van Pink Floyd, met laserstralen die hoog de nachtelijke lucht in reiken en geluidseffecten die rond je hoofd spinnen. Voor de tribunes zweeft een monsterlijk groot varken voorbij met de opdruk ‘fuck Trump and his wall’ en ‘ignorant, lying, sexist, racist’.

Als Waters het nummer ‘Mother’ van Pink Floyds album ‘The Wall’ inzet, moet hij grijnzen. De tekst die hij in 1979 schreef, is nog altijd actueel. ‘Mother should I run for president?’, zingt hij lachend. En ‘Mother should I trust the government?’ Het antwoord staat in monsterletters op het scherm: no fucking way!

Vooraf werd een beetje lacherig gedaan over de rollatorrockers op ‘Oldchella’, zoals het festival al snel ging heten. Ten onrechte. Waters, Young en The Who bewezen dat ze er nog altijd toe doen, met hun jankende gitaren, gemeende boodschappen en nummers van een halve eeuw oud die niets aan urgentie verloren hebben.