De elite van het IMF weet het eigenlijk ook niet meer

Wereldeconomie

Meer groei, dat was de afgelopen week bij het IMF het antwoord op alle kwalen. Maar is die wel te forceren?

Foto Stephen Jaffe / AFP

Het was misschien wel het meest veelzeggende moment van de jaarvergadering van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank, die zaterdag werd afgesloten. IMF-directeur Lagarde, de Duitse minister van Financiën Schäuble, de Chinese centrale bankier Zhou en zijn Britse collega Carney praatten in een tot de nok toe gevuld atrium van het hoofdkwartier van het IMF over een van de belangrijkste kwesties van deze tijd: wereldwijd wantrouwt de burger de elite. De gespreksleider wees daarop naar hen en met een armzwaai naar de zaal, waar de crème de la crème van de internationale economie zich had verzameld. „Maar dat bent u!”

Dat moment, waarop podium en zaal beseften dat het hier niet over een abstractie, maar over hén ging, onderstreepte het grote misverstand dat door veel landen waart: de elite die de kritiek weliswaar ter harte probeert te nemen, maar eigenlijk niet begrijpt. Zij proberen toch het beste te doen voor de wereld, oplossingen te vinden voor armoede, ongelijkheid en vooral de tegenvallende economische groei die voor stagnerende inkomens zorgt? Zij zijn toch gewoon ook one of the guys?

De ironie is dat de macht van de bestuurlijke elite over de wereldeconomie op dit moment beperkter lijkt dan ooit – niet in de laatste plaats in de ogen van de in Washington verzamelde elite zelf. Want het instrumentarium oogt sleets. Jaren van ultrasoepel monetair beleid met nulrentes, negatieve rentes en massale aankopen van staatsleningen en andere leningen lijken nauwelijks effect te hebben gehad. De economische groei is onbevredigend, of in de woorden van Lagarde, eerder op de dag: „Te traag, te laag en ten bate van te weinig mensen.”

Toch weer meer schulden?

Daarbij kwam dat het monetair beleid lijkt op te branden, als de eerste trap van een raket. Daarom werd stevig aangedrongen op de tweede trap: hogere overheidsuitgaven in landen waar dat kan. En de derde trap: structurele hervormingen, met name op de arbeidsmarkt, die de economie flexibeler en slagvaardiger moeten maken.

Maar juist bij dit actieplan speelt een groeiend aantal paradoxen de experts en beleidsmakers parten. Groeiende ongelijkheid wordt beschouwd als een van de oorzaken van het opkomende populisme. Maar het monetaire beleid jaagt met zijn lage rentes de prijzen van bezit op, en daarmee de vermogensongelijkheid. Banken zouden op middellange termijn moeten profiteren van de lage rentes, maar vooralsnog lijdt het merendeel van hen er juist onder. Zie het wankelen van Deutsche Bank, nog vorige week.

Volgende paradox: het IMF drong aan op het verhogen van de overheidsuitgaven, de tweede trap. Maar dat leidt waarschijnlijk tot méér schuld, en daar waarschuwde datzelfde IMF weer tegen: de wereldwijde schulden staan op een record van 225 procent van het bruto binnenlands product.

En de structurele hervormingen dan? Met name op de arbeidsmarkt leiden die misschien tot meer dynamiek, maar ze maken het bestaan van de burger onzekerder. En was die groeiende bestaansonzekerheid niet een van de belangrijkste redenen waarom het volk mort?

De economische modellen waarmee wordt gewerkt liggen intussen onder vuur. Zij zouden te theoretisch zijn, te weinig empirisch en grote gaten vertonen. De econoom Paul Romer wierp vorige maand de knuppel in het hoenderhok en vergeleek de macro-economie met de wetenschap van drie eeuwen terug. Zonder de hedendaagse variant van ‘flogiston’, de mythische substantie die destijds het verschijnsel vuur moest verklaren, kan de economische wetenschap nog steeds niet, zei Romer. Zijn kritiek weegt zwaar: hij is zojuist benoemd tot chef-econoom van de Wereldbank.

En dus waarschuwden de stabiliteitsbewakers bij het Fonds voor de recordhoge schulden in de wereld, terwijl een deur verder de voorspellers juist méér overheidsuitgaven willen. Want schulden spelen in hun economisch model nauwelijks een rol, verzuchtte een kenner. Hij wees er ook op dat de prijzen van huizen, aandelen en andere bezittingen onvoldoende vertegenwoordigd zijn. Creëren de centrale banken anno 2016 een zeepbel op de financiële markten met hun monetaire beleid? Dan zou dat een zeepbel zijn die de gevolgen van de vorige, in 2008, moet doen vergeten. Zoals díé zeepbel weer het gevolg was van het bestrijden van de internetbel van 2000.

Bot, paradoxaal of onverkoopbaar

Zo lijken de gereedschappen om de crisis te lijf te gaan bot, paradoxaal of onverkoopbaar aan een wantrouwend publiek. Lastig, want het antwoord bij het IMF op elk probleem was deze week: meer economische groei. Zoals Lagarde het zei: „Mijn moeder zei altijd: alles wordt beter met boter. Alles wordt ook beter met economische groei.”

Meer inkomen dus en, indien goed verdeeld, minder ongelijkheid. Minder angst voor de baan, en dus minder zorgen om de globalisering en minder opstandigheid.

Maar is dat streven naar hogere economische groei wel logisch? Eén deelnemer zei dat er in de eurozone misschien niet meer in zit dan een economische groei per hoofd van de bevolking van een procent of 1. De vergrijzing, de noodzaak om de schuldenberg af te bouwen én de teruglopende productiviteitswinsten van de laatste technologische revolutie zouden daar debet aan zijn. Streven naar méér zou, in dat geval, geforceerd zijn. Een vetvrij dieet dus. Maar dat was een boodschap die verloren ging in de keuken van het IMF, waar boter het voornaamste ingrediënt was.