Bureaucratie is goed en prestatieloon juist slecht

Nobelprijs Economie

De twee winnaars van de Nobelprijs voor Economie bestuderen de werking van contracten. Prikkels werken vaak pervers, ontdekten ze.

Moet het eigen risico in de zorg worden afgeschaft? Moet ProRail terug in overheidshanden? Moeten banken minder dividend uitkeren? Het zijn een paar vragen uit de actualiteit die aansluiten bij het vakgebied van de twee winnaars van de Nobelprijs voor de Economie, die maandag bekend werd gemaakt.

De prijs, uitgereikt door de Koninklijke Zweedse Academie voor Wetenschappen, ging naar de Brit Oliver Hart en naar de Fin Bengt Holmström. Beiden kregen de prijs voor hun bijdrage aan de zogeheten contracttheorie. Dat is een brede onderzoekstak die de werking en de zin bestudeert van allerlei afspraken in het economisch verkeer. Afspraken tussen werkgevers en werknemers, tussen bedrijven en klanten, tussen topmannen en aandeelhouders en tussen de overheid en bedrijven.

Hart en Holmström deden vooral apart van elkaar onderzoek, maar recentelijk ook samen. Zoals het economen betaamt zoeken ze naar efficiënte oplossingen, naar prikkels voor ideale uitkomsten. Hun bevindingen zijn soms verrassend.

Holmström raakte naar eigen zeggen geïnteresseerd in processen binnen bedrijven toen hij zelf begin jaren zeventig in het bedrijfsleven werkte. Eén van zijn stellingen: een beetje bureaucratie – werknemers die vastgestelde taken krijgen – is wel goed voor een bedrijf. Een te grote vrijheid van de werknemer kan juist verkeerd uitpakken, net als hoge prestatiebeloningen. Láge salarisverschillen binnen een bedrijf zijn juist „een belangrijk vehikel voor inspirerende samenwerking en coördinatie”, schreef hij in 2004 in The American Economic Review.

Prestatieloon voor leraren heeft vaak een ongewenst effect, vond Holmström. Die beloning wordt dan vaak gegeven op basis van meetbare resultaten, zoals examenresultaten van leerlingen. Maar in de praktijk vraagt de maatschappij dat leraren vele taken tegelijk verrichten. Ze worden bijvoorbeeld ook geacht de creativiteit van leerlingen te stimuleren. Dit laatste is niet meetbaar. Een leraar met prestatieloon krijgt de perverse prikkel om alleen toe te werken naar hoge cijfers in de klas, schrijft het Nobelprijscomité over Holmströms onderzoek.

Vaak werken prikkels heel subtiel, zei Holmström in 2013 in een bedrijfspublicatie van optiebelegger CME Group. Na het grote boekhoudschandaal van Enron riep iedereen meteen dat het lag aan de aandelenopties in het eigen bedrijf die het management ontving. Helemaal fout, zei Holmström. Probleem was niet de beloning in opties, maar het feit dat het ging om korte termijnopties. Zo werden bestuurders ervan weerhouden om het bedrijf op de lange termijn gezond te maken.

Hart legt vooral de nadruk op wat allerlei contracten níét regelen. Hij spreekt van ‘incomplete’ contracten. De Brit onderzocht onder meer de werking van contracten tussen overheden en het bedrijfsleven. Moeten publieke diensten worden geprivatiseerd? Niet zomaar als er in het contract niets wordt geregeld over investeringen, betoogde Hart in een artikel in 1997 in The Quarterly Journal of Economics.

Dat was midden in de jaren waarin politici privatisering als nieuw evangelie hadden omarmd. De prikkel voor private uitvoerders om kosten te reduceren, en niet te investeren, is dikwijls wel erg groot, zei Hart, verwijzend naar geprivatiseerde Amerikaanse gevangenissen. Inmiddels wil de Amerikaanse overheid private gevangenissen weer meer in publieke handen brengen.