Opinie

Nederlandse literatuur is veel te braaf

Nobelprijswaardige schrijvers vechten tegen regime of dogma. Nederlandse auteurs hebben die moed niet, stelt Hanneke Eggels.

Illustratie Hajo

Een dezer dagen staat de secretaris van het Nobelcomité voor de Literatuur weer de pers te woord voor de salondeuren in Stockholm. Hij zal de 113de winnaar bekendmaken. Ik houd mijn ogen wijd gesloten. Voor het eerst een Nederlander? Die kans is klein, helaas. Is dat toeval?

Een inventarisatie van de nationaliteiten van de 112 winnaars leert dat de meeste prijzen naar Frankrijk gingen, gevolgd door Scandinavië, VS en Canada. Groot-Brittannië kreeg er 8, Oost-Europa 7, Rusland 5, Zuid-Amerika, Italië en Spanje 6, Afrika 3, China 2, Japan 1 en de overige nationaliteiten elk 1. Nederland zit er niet bij. Zijn wij de zielige uitzondering, literair doen we toch niet onder voor andere landen? Of ligt het aan ons kleine taalgebied, maar waarom vielen Roemenië en IJsland dan wel in de prijzen?

Sleutelfactor is ‘moed’, zo blijkt, want literaire kwaliteit is vanzelfsprekend. De prijs gaat doorgaans naar schrijvers die politiek en religieus schurende standpunten innemen. Mijn premisse vindt steun in de bepaling van Alfred Nobel dat de Nobelprijs voor de Literatuur bestemd moet zijn ‘voor het opmerkelijkste werk met een idealistische trend’. Moed om je te verweren tegen regime of dogma, in een vurige stem die internationaal resoneert. In het omvangrijke oeuvre van Winston Churchill vind je al die factoren terug: moed, ideaal, literaire kwaliteit. Hij kreeg de prijs in 1953 voor zijn meesterschap in geschiedkundige en biografische beschrijving. Zijn welsprekendheid in de verdediging van waarden hielp hem daarbij.

Svetlana Alexijevitsj is een recenter voorbeeld, auteur van Het einde van de rode mens en winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur in 2015. Of José Saramago, winnaar in 1998. Hij moest Portugal ontvluchten vanwege zijn standpunten over de Katholieke Kerk. En denk aan dichter Liu Xiaobo, vreedzaam strijder voor mensenrechten in China en in 2010 winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede. Eigenlijk hoort hij met zijn boek Ik heb geen vijanden, ik ken geen haat ook in de categorie Literatuur. Hij zit nog steeds gevangen. Nederlandse auteurs die de boekenbeurs in Beijing bezochten, aarzelden aanvankelijk steun voor hem uit te spreken.

Wie van onze schrijvers voldoet aan de genoemde criteria? Wie heeft er aanzien over de grenzen? Kennen wij onze illustere Nobelvoorbeelden wel? Lezen leidt af van schrijven, meende Harry Mulisch. De mare gaat dat wij in een politiek en economisch stabiel land leven, welvarend en tevreden, en dat die omgeving geen urgente literatuur oplevert.

Dat is schijn. De Nederlandse schrijvers hebben de moed niet om zaken van werkelijk belang aan de kaak te stellen, terwijl het Nobelcomité daar nu juist op aanslaat. En zij die wel moed toonden, zoals Theo van Gogh, Pim Fortuyn en Ayaan Hirsi Ali, bouwden niet aan een literair oeuvre, maar prefereerden andere uitingsvormen. Twee werden vermoord, de ander bedreigd. Wie van onze schrijvers nam eigenlijk een moedig standpunt in over onze koloniale oorlog in Nederlands-Indië? In België prikkelde David Van Reybrouck de geesten met zijn schurende Congo.

Stadskatten

Wij doen een gooi naar de Nobelprijs voor de Literatuur met een feuilleton over MH17 op een blauwe maandag tijdens het diner vanuit Genua op een bed violen onder een vlucht regenwulpen. Onze schrijvers zijn net stadskatten, ze vangen geen muizen, omdat ze worden gevoerd met reis- en werkbeurzen, de kattenbrokjes van het Letterenfonds. Te weinig vertalingen, ons kleine taalgebied – het mag geen excuus meer heten voor het mislopen van Nobelprijzen voor de Literatuur.

Wel is ons internationale cultuurbeleid nogal versnipperd en weinig resultaatgericht. Het ontbreekt ook aan verantwoording over bestede gelden. Een conclusie die wordt getrokken in het rapport Cultuur als kans (maart 2016), een beleidsdoorlichting van het ministerie van Buitenlandse Zaken. In de tophonderd van beste Nederlandse kunstenaars in het buitenland staan maar vier schrijvers: Cees Nooteboom (36), Herman Koch (37), Arnon Grunberg (42) en Dick Bruna (52). Wie van hen schrijft in de geest van Alfred Nobel?

Moeten we misschien meer lobbyen in Stockholm? Dat valt te betwijfelen, want aan Nederlandse adviseurs heeft het Nobelcomité geen gebrek: hoogleraren moderne letterkunde van de KNAW, het bestuur van de Vereniging van Schrijvers en Vertalers, het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, het bestuur van PEN Nederland. Al die deskundigheid blijkt al jaren niet effectief. Het ligt dus misschien toch aan onze schrijvers – aan moed.