Interview

‘Ik wil mijn leven niet verdoen met gezelligheid’

Interview Edward Uittenbroek (46) is een man die iets nodig heeft om zich in vast te bijten. De Tweede Wereldoorlog, het geloof. Het laatste jaar was hij het gezicht van de strijd tegen een azc in Gouda. ‘Ik kan niet met mezelf leven als ik niet ergens voor sta.’

Foto Andreas Terlaak

Het brandhout is vochtig waardoor het kampvuur knettert en sist. Een grijze walm trekt over camping Ff-r-uit in het Noord-Brabantse Vlijmen. Edward Uittenbroek (46) zit op een bankje van boomstammen, recht in de rooklinie. Hij heeft het vuur opgestookt net voordat de zon onderging. Wil hij niet liever ergens anders zitten? Uittenbroek wuift de opmerking weg, hij heeft de rook amper opgemerkt. „Ik zit graag dicht op het vuur.”

In de Brabanthallen verderop wordt de Surface-vakbeurs gehouden, ‘coating-expert’ Uittenbroek bemant er vier dagdelen een stand. Het is maar een uurtje rijden naar zijn huis in Gouda Noord waar hij met zijn vrouw Theresia woont. Toch overnacht hij tijdens de eerste koude herfstdagen van het jaar liever op de camping, in zijn witte Volkswagen Transporter. „Ik sta meteen paraat als er last minute iets verandert in het rooster van de beurs.”

Uittenbroek doet niets half. „Ik kan niet met mezelf leven als ik niet ergens voor sta”, zegt hij later in het gesprek. Het verklaart ook zijn hartstochtelijke strijd tegen de „achterkamertjespolitiek” in Gouda Noord. En tegen de „overvaltechniek” waarmee de gemeente volgens hem een asielzoekerscentrum in zijn wijk probeert te vestigen.

Ongeveer een jaar geleden, in het najaar van 2015, werd voor veel mensen echt duidelijk dat Nederland vluchtelingen zou gaan opvangen. In verschillende gemeenten laaiden de protesten tegen asielzoekerscentra, azc’s, op. Soms mondden inspraakavonden uit in rellen, er werd geprobeerd een raadsvergadering te bestormen. In de berichtgeving over de onvrede dook Gouda ook geregeld op. Daar zou een azc komen in een woonwijk. Iemand bekladde de fietstunnel met graffiti: ‘Geen azc in Gouda!’ En: ‘Dood aan Milo Schoenmaker’ – de burgemeester van Gouda. Hij deed aangifte van bedreiging.

In de Nederlandse storm van boosheid liet Edward Uittenbroek een opvallend ander geluid horen. Als voorzitter van de door hemzelf opgerichte bewonersvereniging Gouda Noord zoals het Hoort (GNzhH) werd hij het gezicht van het protest in de wijk – maar hij heeft niets met rellen of bedreigingen te maken. Uittenbroek heeft „helemaal niets” tegen asielzoekers, het gaat hem om de manier waarop de gemeente het er volgens hem doorheen heeft gedrukt.

Je hoort het niet vaak, maar hij zegt het gewoon: „Ik heb een passie voor democratie.” Een raadsvergadering verstoren, zoals in Geldermalsen gebeurde, heeft volgens Uittenbroek weinig met democratie te maken. „Dan kan de stad niet meer bestuurd worden.” Zeker 2.500 uur stak de vereniging al in „dit gedonder”. GNzhH stuurde de gemeente, op basis van de Wet openbaarheid van bestuur, stapels verzoeken om informatie. Uittenbroek is op zowat elke raadsvergadering inspreker over het onderwerp. Hij organiseert bijeenkomsten. Bevraagt politici. Stuurt brieven. „Dit is het heftigste avontuur dat ik ooit heb meegemaakt.”

Leven tot stilstand

Het leven van Uittenbroek was „min of meer tot stilstand gekomen”. „Ik deed mijn werkjes, stuurde mijn factuurtjes.” Theresia en hij maakten wel leuke uitstapjes. „Naar een vliegshow of een kampeerboerderij, rondfietsen.” Maar er was niets waar hij zich in vast kon bijten, terwijl hij dat zijn hele leven altijd had gedaan.

Eerst was het de Tweede Wereldoorlog. Op zijn dertiende bouwde hij zijn kamer om tot ‘war room’. „Je kwam binnen bij de Kanaalkust en ging helemaal rond naar Moskou.” Zijn matras verplaatste hij naar de zolder. Toen hij even later naar een grotere woning verhuisde, bouwde hij Europa na in de garage. In zijn late tienertijd ging hij wiet kweken, begon hij op school meteen een handel in zelfgemaakte waterpijpjes.

Daarna kwam het geloof. Tijdens zijn studie zag hij een poster hangen in zijn Utrechtse universiteit: ‘Wereldreligies vergeleken’. Uittenbroek had toen nog „het apengeloof” – hij geloofde in Darwin, niet in God – maar ging tijdens de cursus twijfelen aan de evolutietheorie. „Barst, dacht ik, ik ga uitzoeken hoe het zit.” Drie jaar lang is hij daar naast zijn studie „monomaan” mee bezig geweest. Hij studeerde af in sociale geografie en werd christen.

Uittenbroek stookt het kampvuur nog eens op. De omliggende weilanden zijn donker, op het pad verderop rennen hardlopers met knipperende lampjes. Edward zit middenin de rook. „Kijk dan.” Hij wijst naar de lucht. „Wat was dat? Een vallende ster of zo? Die zie je meestal eind augustus.” Uittenbroek schakelt handig terug naar zijn favoriete onderwerp. „Maar goed, er zijn wel meer vallende sterren.”

Goudse politici. Uittenbroek werkt aan een essayreeks over de lokale politiek: Gouds gedonder. De titel is een knipoog naar een boek dat de Goudse burgemeester ooit schreef: Bestuurlijk gedonder.

De onrust in Gouda Noord, een wijk met tienduizend inwoners, begon al in 2015. In de ‘PWA-kazerne’ zou een islamitisch centrum komen voor ongeveer 1.500 mensen, speciaal onderwijs en een kinderdagverblijf. Dit was voor Uittenbroek en veel buurtbewoners een verrassing omdat de gemeente eerst nog andere plannen met het pand had. Publiekelijk uitten zij hun zorgen, vooral over het grote aantal bezoekers dat het islamitisch centrum wilde trekken en het verkeer dat daarmee gepaard zou gaan. Uittenbroek raakte gefascineerd door de politiek, die een beslissende rol had bij de verkoop van het pand. ‘Mission Impossible I’ noemde hij zijn strijd. De strijd tegen het azc is ‘Mission Impossible II’.

Uittenbroek gebruikt graag taal die rechtstreeks uit actiefilms lijkt te komen. Hij zegt bijvoorbeeld dat er „een explosieve situatie” is ontstaan in Gouda Noord. Toen het plan voor het islamitisch centrum in de zomer van 2015 uiteindelijk afketste – mede dankzij zijn inzet vermoedt hij, maar volgens de gemeente lag het aan de financiering – bleek ineens dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers datzelfde pand op het oog had voor een azc. Dat werd door de gemeente slecht gecommuniceerd, vindt Uittenbroek.

Ook in andere ‘protestgemeenten’ was kritiek op het lokale bestuur. Er ontstond een roep om directe democratie: als het grootste – of luidruchtigste – deel van de inwoners ergens tegen is, moet de politiek daarnaar luisteren. Dat is een vreemde opvatting, vindt Uittenbroek, die zichzelf een „vergadertijger” noemt. „Als we gestemd hebben, willen we vier jaar lang het mandaat aan het stadsbestuur geven.” Maar volgens hem is de manier waarop Gouda de burgers inlichtte in strijd met „de algemene beginselen van behoorlijk bestuur”.

Onlangs schreef Uittenbroek een lange brief naar de Nationale ombudsman. „6.666 woorden. Bijna het nummer van het beest der openbaring – vond ik wel lachen om te gebruiken.” Hij reageerde met zijn brief op een rapport van de ombudsman, dat vorige maand verscheen. De ombudsman deed onderzoek naar de situatie in Gouda en vroeg zich af wat de burger eigenlijk mag verwachten van een gemeente als die beslist over „omstreden bestemmingen”. Volgens het rapport is Gouda op belangrijke momenten „tekortgeschoten”. Het rapport is een signaal aan alle gemeenten: zij moeten beter communiceren met burgers over de komst van asielzoekerscentra.

Een opsteker voor Uittenbroek, maar geen eindpunt. Dat is er pas als „de achterkamertjespolitiek” voorgoed voorbij is.

„Ik wil een waardevol leven leiden, juist omdat het zo waardeloos begonnen is”, zegt Uittenbroek na een korte stilte. Hij noemt zijn tienerjaren een „verschrikking”. Met een scheiding die voor alle betrokkenen pijnlijk was, een moeder met een new-agecentrum, een nieuwe stieffamilie. „Als kind had ik het gevoel dat ik ongewenst was.” Hij haalt het verhaal van koning Salomo uit de Bijbel aan, dat werd verteld op de lagere school. „Twee vrouwen hebben ruzie om een kind, allebei claimen ze de moeder te zijn. Zegt Salomo: ‘Hak maar in tweeën, dan heb je allebei de helft.’ Zegt een van de vrouwen: ‘Dan mag zij hem hebben.’ Waarop die koning zegt: ‘Jij bent dus de moeder.’” Uittenbroek vond dat „zó ongeloofwaardig”. „De echte moeder zou natuurlijk zeggen: hak maar door, dan ben ik er vanaf.” Dat zou, dacht hij, zijn moeder misschien wel hebben gezegd. Nee, zijn kindertijd was niet de mooiste tijd van zijn leven. „Je hebt dan geen grip. Nu kan ik alles bereiken wat ik wil.” Die ambities zijn vooral politiek. Hij is actief lid van de lokale partij Gemeentebelangen Gouda en doet zijn best om op de kieslijst te komen. Zijn sociale leven is van ondergeschikt belang. Laatst had hij foto’s uit zijn telefoon nodig en toen viel hem op dat er maar op één van de twintig foto’s een mens stond. „Ik wil mijn leven niet verdoen met alleen gezelligheid.” Een lach. „Ja, nu chargeer ik wel.”

Het kan ook moeilijk zijn om samen te werken met een man die zo gefocust is als Uittenbroek. De partner met wie hij GNzhH begon, stapte na een poosje op. In het rapport van de ombudsman spreekt een medewerker van de gemeente zijn ergernis uit over de hoeveelheid Wob-verzoeken die werden ingediend. „Het ene moment is er niets aan de hand, het volgende moment ligt er een groot Wob-verzoek. Dat voelde als een klap.”

Het is even wat rustiger in het leven van Uittenbroek. Of het asielzoekerscentrum er komt is nog onzeker. Hij broedt verder op zijn plannen voor een politieke carrière, zodat hij het bestuur van binnenuit kan democratiseren. „Want voor deze democratie zijn we niet bevrijd. Hiervoor hebben de Amerikanen ons land niet bevrijd.”