Grens tussen staats- en privébezit Oranjes vaag

Koninklijke kunstverzameling

Kunsthistorici en conservatoren kritisch over stille kunstverkoop van Koninklijk Huis aan buitenlandse musea

©

Afgelopen zaterdag werd duidelijk dat de veertien kleinkinderen van prinses Juliana in 2014 stilletjes voor een miljoenenbedrag een groot schilderij uit 1849 van Raden Saleh aan de National Gallery Singapore hebben verkocht. Koningin Wilhelmina had begin twintigste eeuw al weinig affiniteit met het schilderij met tijgers die vluchten voor een bosbrand. Het doek werd naar een paleiselijke zolder overgebracht.

Profiteren?

Het schilderij werd teruggevonden in het depot van het Instituut Collectie Nederland in Rijswijk, een opslagplaats voor rijksgoederen. Het Koninklijk Huisarchief, verantwoordelijk voor het beheer van de koninklijke verzamelingen, heeft de eigendomsstatus van het schilderij onderzocht. Bij gebrek aan bewijzen die op een overdracht aan de staat wijzen, is geconcludeerd dat het privébezit van de Oranjes betrof.

De scheidslijn tussen staatsbezit en persoonlijk bezit van de koninklijke familie is soms moeilijk te trekken. Vooral in de negentiende eeuw was die scheidslijn diffuus en permitteerden de vorsten zich veel vrijheid om van die onduidelijkheid te profiteren.

Een mooi voorbeeld is hoe Willem II (1792-1849) zijn particuliere kunstverzameling probeerde uit te breiden. Zijn vader, koning Willem I, kocht soms kunst voor de nationale musea. Een enkele keer honoreerde hij verzoeken van museumdirecteuren uit zijn eigen salaris, maar meestal betaalde de koning de rekeningen van veilinghuizen uit de staatskas. Met publieke middelen kocht hij ook eens twee schilderijen die hij als verjaarscadeau gaf aan zijn zoon Willem II.

In tegenstelling tot zijn vader was de jonge Willem een gepassioneerde privéverzamelaar. Voor zijn Rembrandts leende hij als koning forse bedragen van de staat. Hoe groot zijn begeerte was, bleek ook uit een brief die hij verstuurde aan de directeuren van het Mauritshuis en het Rijksmuseum. De koning vroeg hen welke schilderijen in de collecties rijkseigendom waren en welke koninklijk bezit. Daarmee bedoelde hij zowel de genationaliseerde stadhouderlijke schilderijen in het Mauritshuis, als de door zijn vader betaalde kunstwerken voor beide musea.

Kunsthistorici: Bied nationaal erfgoed eerst aan belanghebbende musea aan

Het was duidelijk dat Willem II hoopte de ‘koninklijke’ schilderijen uit de twee rijksmusea bij zijn privéverzameling te voegen. De museumdirecteuren, die wisten dat de schilderijen uit de staatskas waren betaald, traineerden het verzoek met steun van het ministerie. Na twee jaar antwoordden zij dat de gevraagde informatie niet kon worden achterhaald en verwezen hem naar de archieven van het ministerie en de Algemene Rekenkamer. De conflicten beperkten zich niet tot kunstbezit. Ook over de inboedel van paleizen, subsidies aan de Haagse opera, aandelenkwesties en bij de afhandeling van erfenissen is gesteggeld over schimmige eigendomsverhoudingen.

Lof voor Juliana

Historici prijzen prinses Juliana voor de wijze waarop zij het familiebezit afbakende. In 1972 liet zij de Stichting Historische Verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau oprichten. Die stichting, nu met koningin Máxima als een van de bestuurders, beheert de koninklijke verzamelingen.

Maar niet al het koninklijk kunstbezit is in de stichting ondergebracht. Dat gold bijvoorbeeld voor de Atlas Munnicks van Cleeff, een verzameling van 1.200 oude tekeningen van de stad en de provincie Utrecht, die vier jaar geleden is verkocht. De map, die al ruim anderhalve eeuw in de familie was, werd in 2012 stilletjes overgedaan aan privéverzamelaar John Fentener van Vlissingen.

Waarom, zo vroegen verschillende kunsthistorici zich af, zijn het schilderij van Raden Saleh en de Atlas Munnicks van Cleeff niet eerst te koop aangeboden aan Nederlandse musea? Omdat Raden Saleh vele schilderijen aan de Oranjes cadeau deed uit dankbaarheid voor een riante levenslange toelage uit de staatskas die hem per koninklijk besluit was toegekend, en omdat het schilderij werd teruggevonden in een staatsdepot, hebben kunsthistorici vragen gesteld over de eigendomsstatus. Het Koninklijk Huisarchief, verantwoordelijk voor het beheer van de koninklijke verzamelingen, heeft bij gebrek aan bewijzen die op een overdracht aan de staat wijzen, geconcludeerd dat het privébezit van de Oranjes betrof. Kunsthistorici menen daarom: laat bij voorgenomen verkoop door onafhankelijke deskundigen onderzoeken wie de eigenaar is. En als het volgens kunsthistorici om nationaal erfgoed gaat, bied de werken dan eerst aan belanghebbende musea aan. Dat is de koninklijke weg.