Recensie

Ze viel uit de toon met haar dreadlocks

Hoe word je wie je bent? De Vlaamse schrijver Lize Spit (27) heeft opmerkelijk veel succes met haar debuutroman Het smelt. Toen ze tien was, won ze met gebroken pols goud met judo.

Lize Spit deelde een kamer met haar vier jaar jongere zusje Tilde, in het huis van de familie in Viersel, een dorp van drie straten in de Antwerpse Kempen. En wat doet een oudere zus als de bedlampjes eenmaal gedoofd zijn? Ze verzint verhaaltjes voor haar zusje. „Lize verzon ze ter plekke. Soms waren het grappige verhaaltjes, soms erg vreemde”, herinnert Tilde Spit zich nu. Ze doezelde dus weg bij het stemgeluid van de latere schrijfster? „Nee, het was eerder andersom. Dan viel Lize tijdens het vertellen plotseling stil, vroeg ik of er iets was en schrok ze wakker.”

Minder dan twee decennia later heeft Lize Spit (27) alle reden om klaarwakker te blijven. Haar debuutroman Het smelt, verschenen in januari, werd een even onverwacht als kolossaal succes. Het boek vertelt het verhaal van een jonge vrouw die terugkeert naar haar geboortedorp, waar in haar jeugd verschillende wonden zijn geslagen. „Een oorspronkelijk en indrukwekkend debuut,” vond deze krant. In België werden 70.000 exemplaren verkocht, in Nederland inmiddels 30.000. Het boek won de verkiezing om de Hebban debuutprijs.

Prijzen hadden al eerder de belangstelling van Spit, die als kind een enthousiaste judoka was. En vasthoudend. Zo rond haar tiende deed ze mee aan het plaatselijke clubkampioenschap. Om te winnen, natuurlijk. „Vlak voor we begonnen maakte Lize nog even een radslag”, vertelt haar jeugdvriendin Nathalie de Noël, „waarbij haar pols dubbelklapte. Daar zijn we toen niet verder op ingegaan, ze deed gewoon mee. En ze won goud.” Later ging de kampioene toch maar even naar het ziekenhuis om een foto te laten maken. De pols bleek gebroken.

Ze was fanatiek, geeft Spit nu toe. „Ik deed aan judo om de Olympische Spelen te halen.” Veel verhalen over de spelende Spit in Viersel draaien om stoerheid: de buitenspelletjes van de Vlaamse jeugdbeweging Chiro op zondag, hutten bouwen, ravotten op de vuilstort, zwemmen in het meertje achter het dorp, door de koeienstront en de modder. „Thuis moesten al onze kleren in de vuilzak en werden we afgespoten met de tuinslang.” Dat de kinderen zoveel buiten waren, zal ook te maken hebben gehad met het feit dat televisie niet populair was in huize Spit. Toen het apparaat eenmaal in huis was, werd het gestationeerd op de veranda: de woonkamer was voor de moeder van Tilde, Lize en de tweeling Sara en Jornt. En er waren veel dieren: katten, honden, schildpadden. „Ik heb in totaal wel achttien of twintig cavia’s gehad”, zegt Lize. „Ik was steeds in de rouw als er eentje gestorven was. In de tuin had ik een ‘treurmuurtje’ – dat had mijn vader voor me gemaakt.”

In Het smelt is de relatie van de hoofdpersoon met haar ouders moeizaam (mede door drankgebruik), maar Spit wil niet ingaan op het autobiografisch gehalte van de roman. „We hebben niet in alle opzichten een gelukkige jeugd gehad, maar we hebben er het beste van gemaakt.”

Misdienaars

Haar vriendinnen vinden Spit vooral uitermate zorgzaam. Nathalie de Noël, sinds haar vijfde met Spit bevriend, liep op haar zevende een schedelbreuk op bij een val van een kast. „Lize kwam toen elke dag vanuit school naar me toe om te vertellen wat er was gebeurd en om door te geven of er nog huiswerk was.”

Eindeloos bleven de twee bij elkaar slapen, op zaterdagavond vooral bij Spit thuis, omdat zij het dichtst bij de kerk woonde, waar de jonge misdienaars ’s ochtends om zeven uur of half acht (de lezingen lopen uiteen) werden verwacht. Ook jeugdvriendin Liesbeth Vantendeloo herinnert zich dat ze vaak bij Lize speelde. „We zaten in een kleine klas met maar zes meisjes dus je speelde sowieso veel met elkaar. Dat was soms met poppen, maar meer buiten en ook met playmobil. Het was leuk om bij haar te spelen, al was ik wel altijd een beetje bang voor haar vader. Vraag me niet waarom, dat was gewoon zo. Net als dat Lize bang voor mijn vader was. Ik denk dat dit vooral kwam omdat mijn vader een baard had.”

Rond haar twaalfde kreeg Spit last van vermoeidheidverschijnselen, ze had eindeloos dorst en vermagerde snel. De diagnose was diabetes. „Wij voelden ons alle vier altijd heel sterk; dat was daarna voorbij. Ik had geen echt goede band meer met mijn lichaam.” De Spelen verdwenen achter de horizon.

Inmiddels was Spit begonnen met wat haar bestemming zou blijken: schrijven. Vanaf haar elfde hield ze een dagboek bij, op haar dertiende schreef ze een korte roman. Waarover? „Over Marc Dutroux, een kinderontvoering. Misschien heb ik het aan mijn moeder laten lezen, dat weet ik eerlijk gezegd niet meer.”

Dreadlocks

Spit had de lagere school (nu ‘Klavertje Vier-sel’) verruild voor een klassiek katholiek lyceum, het Kardinaal van Roey-Instituut in Vorselaar. Twaalf kilometer fietsen, wat ze al snel samen deed met Ana Michelena, die ook in een dorp woonde en ook een beetje uit de toon viel op school. „We waren de enigen met dreadlocks. We kochten onze kleren bij een kringloopwinkel en letten er altijd goed op dat we er opvallend uitzagen. We wilden vooral individualiteit uitstralen. Veel geld hadden we daar niet voor, maar we verdienden ons geld in de beenhouwerij waar we werkten. Iedereen wist wie we waren: mondig en opvallend gekleed.”

Michelena en Spit trokken veel samen op, gingen samen uit en logeerden bij elkaar. Nu niet meer om de mis te halen, maar omdat zij als enigen zo laat thuis mochten komen als ze wilden. Ze haalden de plaatselijke krant toen ze een middag het schoolradiostation beheerden. „De uitzendingen bestonden altijd alleen uit muziek”, vertelt Michelena, „die dan op het schoolplein uit de luidsprekers kwam. Wij mochten de uitzending op Valentijnsdag maken en bedachten Radio Cupido, waarbij mensen boodschappen bij ons konden inleveren en plaatjes aanvragen. We hebben enorm gelachen.”

Schaamteloos

Haar vriendin was een flapuit, zegt Michelena: „Ze kon heel schaamteloos dingen zeggen, zo van bibibibibi met haar hoge stem.” Dat Spit na de middelbare school niet naar het nabije, voor de hand liggende Leuven trok maar naar Brussel, voor een schrijfopleiding, verbaasde haar niet. „Leuven is toch een soort klein-Kempen, heel beschermd allemaal. Wij wilden andere mensen, andere dingen. Uiteindelijk wil je toch weg uit het dorp.”

Aanvankelijk was iedereen benieuwd wie er zou doorbreken als schrijver, herinnert studievriendin Ruth Mellaert zich. „We zaten in een klasje van acht, de sfeer was informeel en we becommentarieerden elkaars werk. Het waren leuke lessen, soms kwam er een gastschrijver – Willem Jan Otten bijvoorbeeld. Iedereen vroeg zich af of het zou lukken met het schrijverschap. Lize heeft daar nu het antwoord op.”