We willen het (niet) weten

©

Waarom heeft het zo lang geduurd tot eindelijk de waarheid boven tafel kwam, en waarom hebben we dat van een halve Zwitser te horen moeten krijgen? Dat vroeg ik mij als historicus de afgelopen week af, gefrustreerd en ook wel beschaamd.

Het onderzoek van Rémy Limpach, de Zwitserse onderzoeker met Nederlandse moeder die sinds 2014 aan het Nederlands Instituut voor Militaire Historie verbonden is, verdedigde vorig jaar aan de Universiteit van Bern zijn proefschrift over de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië. Met een enorme vertraging sloeg die bom de afgelopen weken in Nederland in.

Wat veel zegt over de goed geoliede pr-machine van de uitgever en het korte termijn geheugen van de media, want het verhaal stond vorig jaar al in de krant, en J.A.A. van Doorn schreef er in 1970 al over in Ontsporing van geweld. Hoe dan ook, zowel mensenrechtenadvocate Zegveld cs als D66 sprong er bovenop en eisten (terecht) een grootschalig onderzoek: „Voor eens en voorgoed moet nu de waarheid boven tafel komen”, zoals de D66-woordvoerder proclameerde.

Met die noodzaak tot diepgaande Vergangenheitsbewältigung in Nederland ben ik het hartgrondig eens. Maar niet met dat dit ‘eens en voorgoed’ moet zijn. De crux van oprechte, serieuze en uitputtende Vergangenheitsbewältigung is dat het nooit klaar is. Geschiedenis is de wijze is waarop een groep rekenschap aflegt van zijn gedeeld verleden en gezamenlijke cultuur, dat zei Johan Huizinga al.

Om als groep te blijven bestaan moet die geschiedenis worden herhaald. Maar wel op een manier dat de groep zichzelf, zijn binnen- en buitengrenzen, zijn identiteit en bestaansrecht voortdurend ondervraagt en kritisch toetst. Want dat is het kenmerk van open democratieën, dat ze zich rekenschap afleggen van macht en openstaan voor tegenmacht, en dat het ideaal van vooruitgang en verheffing rond principes van menselijke waardigheid nooit wordt losgelaten.

Kijk naar Duitsland. De aanjagers van Vergangenheitsbewältigung daar – het überhaupt eerst achterhalen wat er was gebeurd in de Tweede Wereldoorlog, met de joden en andere slachtoffers van holocaust en genocide – dat waren niet de historici, dat waren de geallieerden. Die zetten met de Neurenbergprocessen van 1945/6 een standaard van opheldering, waarheidsvinding en opgelegde rekenschap. Daarna was het de door de Duitse regering in 1958 opgerichte Zentrale Stelle der Landesjustizverwaltung zur Aufklärung der nationalsozialistischen Verbrechen die vanaf 1963 met de Auschwitz-processen lieten zien wat er in de gaskamers en concentratiekampen gebeurde, zodat niemand ooit nog kon claimen dat ze ‘es nicht gewusst haben’.

Pas daarna, in de jaren 1970 en 1980 openden historici de lokale archieven en brachten processen van aanpassing, verzet, collaboratie in kaart. En nu? Nu zijn de Duitsers nog steeds niet klaar, over de rol van de andere staatsapparaten , over het lot van Sinti en Roma, van de LGBT-gemeenschap moet nog veel worden aufgeklärt.

Kijk naar landen als Argentinië, Spanje, waar wetten op de historische herinnering sinds 2003 kinderen, kleinkinderen, van vermiste en omgekomen ouders hun identiteit teruggeeft en het democratische heden stukje bij beetje op het autoritaire verleden herovert.

Kijk naar Egypte, Saoedi-Arabië of Rusland, waar dat niet of nauwelijks gebeurt, en waar Vergangenheitsbewältigung zo’n beetje als landverraad wordt beschouwd. De Italiaanse Cambridge-student Giulio Regeni deed onderzoek naar de bijdrage van vakbonden aan het proces van democratisering in Egypte en moest dat met een gruwelijke marteldood bekopen.

Loop de lijst van vervolgde historici die zo zorgvuldig door het in Groningen opgerichte Network of Concerned Historians wordt bijgehouden maar eens langs: landen als Wit-Rusland, Azerbajdzjan, Bangladesh en China staan niet echt open voor onafhankelijk en kritisch historisch onderzoek naar het eigen verleden.

De conclusie kan hier niet verder wetenschappelijk worden onderbouwd, maar ik durf hem aan: de mate van Vergangenheitsbewältigung dat een land, dat een regering zichzelf gunt, loopt parallel aan de ontwikkeling van een vrije, open en inclusieve democratie.

Dat prachtige Duitse woord, dat betekent dat het verleden ons nooit loslaat, dat het zich vastzuigt aan het heden en verwerkt, bewerkt en toegeëigend maar hoe dan ook nooit onderdrukt moet worden, dat zou ook de Nederlandse democratie sieren. (Maar wel gewoon in het Duits overnemen, een vertaling is er niet).

En dan niet alleen als een zaak van de huidige elite van historici die wel meent historische euvels recht te kunnen zetten op eigen kracht en senioriteit, maar juist en ook met nieuwe, andere ogen – of dat nu de ogen van Zwitserse, Indonesische, Japanse of van de nieuwe Nederlandse generatie historici zijn. We hebben allemaal recht op een zo’n inclusief mogelijk verleden, juist en ook als dat pijnlijk is.