Voor een mooi molecuul mag je mij altijd wakker maken

Ben Feringa

De Groningse hoogleraar Ben Feringa staat al jaren niet meer zelf in het lab, maar denkt nog dag en nacht aan moleculen. Deze week won hij met twee anderen de Nobelprijs voor de Scheikunde. „Ik ben een knutselaar met moleculen. Wij knippen en plakken.”

Foto Olivier Middendorp/ Hollandse Hoogte

Vandaag is rustiger, zegt Ben Feringa. Het is de dag nadat hij te horen heeft gekregen dat hij de Nobelprijs voor de Scheikunde heeft gewonnen. En hij is even weg uit Groningen, de stad waar hij sinds 1988 hoogleraar is. We zitten in de bestuurskamer van het statige Trippenhuis in Amsterdam. Hier huist de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, waarvan Feringa (65) bestuurslid is. Zo is hij op zijn eerste volle dag als Nobellaureaat ook niet bij zijn vrouw en drie dochters. Die hebben, beseft hij, een prijs betaald voor zijn wetenschappelijke succes.

„Ik realiseerde me dat heel goed tijdens de huldiging op de universiteit, waar mijn vrouw en twee van mijn dochters bij waren. Dat er vroeger, toen de kinderen klein waren, veel momenten zijn geweest dat ik niet thuis was. Dat ik op een congres was, of op het lab. En dat ik daardoor de eerste stapjes van een van mijn dochters heb gemist. Of eerste woordjes.”

Voelt u zich daar schuldig over?

„Nee, dat niet. Je weet, dat hoort erbij. Ik leef voor de wetenschap. Het laat je niet los. Zo’n gevoel hebben kunstenaars of musici ook, denk ik. Maar die andere kant is er ook. Al die uren die ik niet met mijn gezin heb kunnen doorbrengen. Voor een ander mens zou het misschien vrij normaal zijn dat je zaterdags wél met je kinderen naar hockey gaat. Nou, dat kon niet altijd.

„Mijn echtgenote heeft me waanzinnig gesteund. Terwijl ze zelf ook altijd een drukke baan heeft gehad. Ik heb veel vrijheid gekregen. Daar ben ik haar dankbaar voor.”

Feringa vertelt wat er woensdag gebeurde, toen hij werd beloond voor zijn jarenlange werk aan ‘moleculaire motortjes’ en zijn wereld in één klap op de kop stond. Zijn noord-oostelijke accent – hij is van Drentse komaf – is soms hoorbaar in waar hij de klemtoon legt („we vertellen het áán elkaar”). Hij noemt het moment dat hij collegezaal 22 binnenliep, tot de nok toe gevuld, waar hij werd gehuldigd. Het minutenlange gejuich en applaus. „Ik was sprakeloos. Ik had een brok in mijn keel. Het was een van de meest emotionele momenten uit mijn leven.”

Kunt u uitleggen waarom?

„Al die mensen daar. Studenten, medewerkers. Die hele community waar ik al dertig jaar mee te maken heb. Het ging allemaal door mijn hoofd. Hoogtepunten, dieptepunten. Dertig jaar emotie, verpakt in zo’n moment.”

Voortaan zal de wereld anders naar hem kijken. Hij had de laatste jaren al opvallend veel prijzen gewonnen. Maar deze heeft toch een andere status. Feringa behoort nu voor altijd tot het bijna mythische gezelschap van Nobellaureaten. Mensen die dicht bij hem staan typeren hem als gedreven, creatief. Een harde werker ook. En aimabel. Bescheiden.

Hoe zou u zichzelf typeren?

„Daar oordeel ik niet over. Iedereen heeft zijn eigen persoonlijkheid. Bescheidenheid? Ja, dat voel ik, tegenover de natuur, de complexe moleculen die je daar vindt. En in de loop der jaren is die bescheidenheid alleen maar groter geworden. Dat leer je wel als je weet hoe mooi moeder natuur in elkaar zit.”

Het wordt al snel duidelijk waar Feringa het liefst over praat. Het belang van fundamentele wetenschap. En zijn liefde ervoor. Vooral voor de scheikunde, en zijn specialisme, het bouwen van moleculen. Hij komt er steeds weer op terug. Het kost soms moeite hem over iets anders te laten praten. Hij wijst naar de metershoge wandkasten, die volstaan met boeken. Honderden jaren aan kennis. „Ik was laatst in Bologna op een congres. Wist je dat de eerste universiteit daar zo’n duizend jaar geleden is begonnen? Toen waren ze ook al bezig met fundamentele vragen. Ik dacht, wow. Die gemeenschap van geleerden, uit allerlei disciplines. Zo lang al. Welke gemeenschap bestaat al duizend jaar, behalve de kerk misschien. En van die gemeenschap maak ik deel uit. Dat vind ik een privilege, zo voel ik dat echt.”

Kunt u uitleggen wat u doet?

„Ik ben chemicus. Ik ben een knutselaar met moleculen. Wij knippen en plakken. Soms bouwen we compleet nieuwe moleculen. Ik geniet van hun schoonheid.

Voor een mooi molecuul mag je mij altijd wakker maken, ook midden in de nacht.”

Wat is voor u een mooi molecuul?

„Daar heb ik niet echt een definitie voor. Dat kan een molecuul met een mooie symmetrie zijn, of met een mooi skelet. Of met een functie. Dat ik denk, wow, dit molecuul kan iets. Bijvoorbeeld een geneesmiddel. Ons motortje, dat we voor het eerst in 1999 maakten, is ook een mooi molecuul.

„Of neem cholesterol. Dat heeft een structuur van drie zes-ringen met een vijf-ring. Dat vind ik heel intrigerend. Hoe de natuur ertoe gekomen is zoiets moois te ontwerpen. Met kleine variaties hierop krijg je hormonen als testosteron en oestrogeen, met allerlei functies.”

Bent u in uw hoofd steeds nieuwe moleculen aan het maken?

„Ik puzzel veel uiteraard. Maar ik geef ook colleges. Ik moet subsidie-aanvragen schrijven. Ik heb meetings, discussies met studenten en promovendi. Mijn tijd is beperkt.”

Wanneer heeft u dan uw denkmomenten?

„Op de fiets bijvoorbeeld. Ik fiets elke dag naar mijn werk, van Paterswolde naar Groningen. Dat is veertien kilometer. En ’s avonds weer terug.”

Neemt u de fiets speciaal met dat doel, om die creativiteit te bevorderen?

„Nee, dat niet. Ik fiets al sinds ik een kleine jongen was. Ik woonde in Barger-Compascuum, een Drents dorpje aan de Duitse grens. Het ligt 15 kilometer van Emmen, waar ik naar de middelbare school ging. En er reed geen bus. Ik ben gewend te fietsen. Ik doe het graag. Het is mijn exercise. Of het nou sneeuwt of regent, dat maakt mij niet uit.

„Nog even over die moleculen. Ik zit soms ook te mijmeren en ga dan krabbelen. Mijn echtgenote ziet het vaak genoeg. Dan zit ik de krant te lezen en dan ben ik op de zijkant ervan alweer bezig om de structuur van een molecuul te tekenen. Ik denk heel erg in termen van beelden en structuren. Als ik met collega’s uit het buitenland praat, bijvoorbeeld China, kan het zijn dat we allebei gebrekkig Engels spreken. Maar als we dan de structuur van een molecuul tekenen begrijpen we meteen waar het over gaat. Dat is onze taal.”

Wanneer is die fascinatie geboren?

„Op de middelbare school, omdat ik een hele goede scheikundeleraar had, mijnheer Op de Weegh. Ik zie hem toevallig volgende week weer eens, bij een schoolreünie. Hij kon niet alleen heel duidelijk uitleggen, hij deed ook proefjes. Hij leerde ons verder te kijken dan wat in de boeken stond. Na de les ging hij gewoon met ons zitten sleutelen aan een ouwe radio.”

U heeft ook weleens verteld dat uw vader u inspireerde.

„Eigenlijk is het daar begonnen, dat klopt. Dat was ik even vergeten. Ik ben op een boerderij opgegroeid, een gemengd bedrijf. Ik had negen broers en zussen. Mijn echtgenote komt ook uit zo’n groot gezin. Ik ben de op één na oudste. Bij ons thuis werd heel veel gediscussieerd, over van alles en nog wat. We hadden kasten vol boeken. Met mijn vader heb ik heel veel op de boerderij opgetrokken. Als we over het land liepen, keken we naar de wolken en vroegen ons af: hoe ontstaan ze eigenlijk? Hij vond het ongelooflijk boeiend hoe uit een klein zaadje een prachtige tarwe-aar kon groeien. Dat heb ik overgenomen. Ik wilde gewoon dingen leren, en weten. Ik las ook wel boeken van Ivanhoe, en van Winnetou en Old Shatterhand. Maar ik was wel een bèta-jongetje.”

Feringa ging scheikunde studeren in Groningen. In het derde jaar kwam hij in de groep van hoogleraar Hans Wijnberg, een Nederlandse Amerikaan met een grote reputatie. Toen maakte Feringa voor het eerst een molecuul dat nooit iemand eerder gemaakt had. „Dat gaf wel zo’n kick. Toen werd ik echt gegrepen.”

Daarna deed Feringa zijn hoofdvak bij Wijnberg. En hij promoveerde bij hem. „Wijnberg liet allemaal beroemde Amerikanen overkomen. Die liet hij dan ook met ons broekies praten. Wijnberg legde de lat heel hoog. Hij zei: wij willen iets ontdekken waar ook de Amerikanen wow tegen zeggen. Hij stuurde ons ook die kant op, naar de VS. Dan kwam ik daar als promovendus, op Princeton of Stanford, en dan had Wijnberg geregeld dat ik er een lezing kon houden. Met allemaal hoogleraren op de eerste rij, onder wie Nobelprijswinnaars. Dan sta je wel even met knikkende knietjes. Maar je krijgt er wel een enorme stimulans van.”

Eén ontmoeting in het bijzonder staat hem bij. Aan de universiteit van Californië, in Los Angeles, zou hij met Donald Cram praten, een groot chemicus. Feringa: „Maar hij kon niet. Ik zal het nooit vergeten. Toen kwam hij speciaal voor mij zaterdag naar het lab, en we hebben van half tien tot half een in zijn kamer gezeten, alleen wij tweeën. Hij legde mij met grote molecuulmodellen zijn laatste dingen uit. Vier jaar later won hij de Nobelprijs.”

Heeft dat u gevormd in hoe u nu met uw studenten en promovendi omgaat?

„Ik denk het wel. Het is een privilege om met al die getalenteerde jongens en meisjes om te gaan. Ik zie dat als mijn primaire taak, de volgende generatie op te leiden.”

Wat vindt u zo mooi aan fundamentele wetenschap?

„Je werkt aan het front. Voor ons ligt een niemandsland. Een oneindige ruimte om te ontdekken. Zeker in de chemie. Wat wij nog allemaal kunnen bouwen. Ondanks alle geneesmiddelen, auto’s, smartphones die er al zijn, hebben we pas een fractie van de moleculaire wereld geopend. Ik denk dat het een van de belangrijkste en spannendste aspecten van onderzoek is, dat je in die onbekende wereld treedt. En ja, af en toe struikel je, val je, of verdwaal je. Maar het is er prachtig.”

Wat is voor u een bijzondere ontdekking geweest?

„Er zijn er een aantal geweest. Van die eureka-momenten. Bijvoorbeeld dat moment dat we de eerste keer beweging zagen, met het blote oog. Dat was in 2005.”

Met het blote oog? Maar u werkt toch aan moleculen?

„Ja, maar in dit geval hadden we op een molecuul dat werkte als een piepklein motortje, een staafje gezet. Dat staafje was tienduizend keer groter. Het motortje draaide het staafje rond. Het was een heel emotioneel moment toen we dat voor het eerst zagen.”

En zware tegenvallers?

„Die horen er ook bij. We wilden een windmolenparkje bouwen op moleculaire schaal. We moesten ze op een oppervlak zetten. Ze zouden gaan draaien als we er licht op schenen. Maar het werkte niet. En we wisten maar niet waarom niet. We zaten echt in zak en as. Dat heeft wel een jaartje geduurd.”

Staat u zelf nog in het lab?

„Nee, al jaren niet meer. Ik denk dat studenten dat ook niet fijn zouden vinden. Ik ben niet meer bedreven genoeg.”

Bent u dan nog wel creatief genoeg?

„Zonder arrogant te willen klinken: ik denk dat we ideeën genoeg hebben.”

Hoe ziet een doorsnee dag van u er eigenlijk uit?

„Ik sta normaliter op om kwart voor zeven. Ik ontbijt, lees de krant en stap om half acht op de fiets. Dan ben ik rond kwart over acht op het lab. Daar werk ik doorgaans tot ongeveer zeven uur. Dan fiets ik naar huis. Ik eet, kijk het NOS-journaal en daarna ga ik tot een uur of half twaalf op mijn studeerkamer werken.”

Dat klinkt als totale overgave.

„Dit is topsport. Dit doe je niet in 40 uur per week.”

Is er nog wel tijd voor iets anders?

„Ik heb een moestuin. Maar die verwildert nogal eens. We hebben een stuk land, iets minder dan een hectare. Er loopt een Shetlander rond die als een grasmaaiertje het weiland bijhoudt.

„En ik hou erg van geschiedenis. Ik lees er veel over.”

Heeft u aanraders?

De waanzinnige veertiende eeuw van Barbara Tuchman. En ik lees nu het boek 1493, van Charles Mann. Dat zou elke middelbare scholier moeten lezen. Dan begrijpt-ie beter hoe de wereld in elkaar steekt.”

Is er nog een belangrijk probleem dat u wil helpen oplossen?

„Bijvoorbeeld hoe je met CO2, en elektriciteit uit zonlicht, nieuwe brandstoffen kunt maken. Als alternatief voor fossiel. Daarvoor zul je CO2 moeten slopen. Je moet de zuurstof eraf halen, en er waterstof voor in de plaats zetten. Maar dat is lastig, want CO2 is een heel stabiel molecuul. Er zijn nog wel wat fundamentele vragen die we eerst moeten oplossen. Maar dan moet er wel geïnvesteerd worden. Ik hoop dat de politiek daarvan doordrongen is.”

De wetenschap roept al jaren om meer geld van de overheid. Maar de komende jaren bezuinigt ze alleen.

„Toch moeten we het blijven herhalen. Als je niet investeert, niet werkt aan het wetenschappelijk front, dan heb je geen toekomst.”