Vijf leerlingen geholpen voor 1 miljoen euro

Werkschool

Het ministerie van Onderwijs is enthousiast als een consultant, zeer gezien in de polderelite, het concept lanceert van een Werkschool voor kwetsbare kinderen. Tot hij vooral zijn eigen bedrijf blijkt te bevoordelen.

Hans Kamps is het type man waar de Nederlandse polder op drijft. De zacht pratende, altijd enthousiaste zestiger loopt over van plannen om het land beter te maken. Bij het grote publiek is hij onbekend, maar binnen de polderelite een gezien en gewild man. Vorig jaar nog vroeg minister van Onderwijs Jet Bussemaker (PvdA) hem als tijdelijk ‘gezant’ om onderwijsgigant ROC Leiden uit het zelfgecreëerde moeras te trekken.

Kamps’ netwerk strekt zich uit tot de verste hoeken van de publieke en private sector. In 2010, het jaar waarin dit verhaal begint, is de consultant voorzitter van de bond voor uitzendbureaus en van Jeugdzorg Nederland, en commissaris bij zowel mediabedrijf FD als staatsbedrijf de Staatsloterij. Naast nog een twintigtal andere bestuursfuncties is hij ook kroonlid van de Sociaal Economische Raad, een belangrijk adviesorgaan van de overheid.

Kamps floreert in deze wirwar van mensen en belangen – waar iedereen aan onderhandelingstafels een hele stapel petten op heeft, zonder dat iemand daar een punt van maakt. Ook Kamps zelf doet dat niet, zo vertelt hij het SER-magazine: „Je moet mij vooral als persoon bekijken, en die persoon is overal dezelfde.” Politici zijn gek op flexibele en altijd beschikbare mensen als hij. „Ik denk dat ik een goede naam heb als innovator, iemand die er voor gaat”, zegt hij. „Ik denk dat ik in Den Haag populair ben omdat ik dingen doe die zij niet kunnen.”

2010 is voor Kamps een topjaar. Steeds meer scholen omarmen het mede door hem ontwikkelde ‘Vakcollege’ – een formule om de populariteit van techniekonderwijs in het vmbo te vergroten. Aan het eind van het jaar verkoopt hij het Vakcollege met een persoonlijke winst van 1 miljoen euro – zonder medeweten van de subsidiërende ministeries en de deelnemende scholen – aan uitzendbureau USG, dat wil verdienen aan de detachering van de gewilde Vakcollege-leerlingen. Terwijl Kamps met USG onderhandelt over de verkoop, prijst hij in het verkiezingsprogramma van de PvdA – hij zit de commissie voor die dat schrijft – de Vakcolleges aan als een „fantastisch perspectief voor veel jongeren”.

Nog voor die verkoop is afgerond, lanceert hij zijn volgende onderwijsidee: de ‘Werkschool’ voor kinderen met beperkingen of gedragsproblemen. Scholen werken samen met gemeenten en bedrijven om deze leerlingen aan werk te helpen. De formule lijkt op die van het Vakcollege, maar dit keer gaat het om de groep kwetsbaarste kinderen.

Opnieuw toont het ministerie van Onderwijs zich enthousiast. Kabinetten worstelen met vroegtijdig schoolverlaten en jeugdwerkloosheid; bewindslieden snakken naar concrete projecten om hun goede bedoelingen te laten zien.

Maar het Werkschoolproject zal zowel Kamps als het ministerie in grote problemen brengen. Eind 2012 beschuldigde het ministerie Kamps van belangenverstrengeling en het onrechtmatig doorsluizen van subsidie naar zijn eigen bedrijf, zo blijkt uit onderzoek van deze krant.

De onafhankelijke voorzitter

Kamps’ poging om de Werkschool tot leven te wekken, kent een vliegende start. Hij weet zijn onderwijsconcept op 16 februari 2010 op de agenda te krijgen van een speciaal overleg van vier bewindspersonen van het kabinet-Balkenende IV.

Vier dagen later valt dat kabinet. Om de vaart erin te houden, benoemt demissionair staatssecretaris van Onderwijs Marja van Bijsterveldt (CDA) Kamps tot „onafhankelijke” voorzitter van een commissie die de Werkschool moet onderzoeken. Als het rapport af is vraagt Van Bijsterveldt – in het nieuwe kabinet-Rutte I tot minister van Onderwijs gepromoveerd – Kamps een „projectvoorstel” te doen, voor het starten van de werkscholen.

In het voorstel dat Kamps haar op 22 april 2011 stuurt, is zijn rol van onafhankelijk commissievoorzitter ingeruild voor die van uitvoerder. „Het enthousiasme in het land is zo groot gebleken” dat „een aantal landelijke uitvoeringspartijen onder leiding van Hans Kamps, de landelijke Stichting De Werkschool hebben opgericht”, schrijft Kamps. Hij wil dat de stichting werkscholen „als een inktvlek” over het land verspreidt. Per arbeidsmarktregio [dat zijn er 35] moeten in het eerste jaar zo’n 50 tot 100 leerlingen aan werk worden geholpen, „in drie jaar tijd opgeschaald naar minimaal 500” per regio. „De voorzitter van de Stichting vraagt startsubsidie van het Rijk”, schrijft Kamps over zichzelf.

Kamps omschrijft de Stichting als een onafhankelijk platform waarin allerlei partijen een stem hebben. In werkelijkheid lopen de belangen van de Stichting vanaf het begin parallel met die van zijn adviesbureau, B&A. Oscar Papa en José ten Kroode, net als Kamps directeur en mede-eigenaar van B&A, zijn secretaris en penningmeester van de Stichting.

Een van de leden van het Stichtingsbestuur is REA, een organisatie die gehandicapten opleidt voor de arbeidsmarkt. REA voelt zich direct ongemakkelijk bij de monopoliepositie die B&A van de Stichting krijgt. Als Kamps er ondanks herhaalde beloften niets aan doet, stapt REA uit de Stichting. Als andere bestuursleden later de omvang van de verstrengeling zien, gaan zij zich ook verzetten.

Ambtenaren maken er in eerste instantie geen punt van; het is wel zo praktisch voor een snelle groei van de Werkschool. Kamps en Papa mogen zelfs meewerken aan de brief die Van Bijsterveldt de Kamer wil sturen om de startsubsidie te rechtvaardigen. Ze wijzen ambtenaren erop dat in de conceptbrief vier positieve dingen over de Werkschool staan en acht minpunten. „Voor de beeldvorming zou je die aantallen gelijk kunnen trekken. Waarom zou je er anders […] subsidiegeld voor beschikbaar stellen?”

Toch zit de brief die de Tweede Kamer uiteindelijk krijgt vol twijfels. Er zijn al andere initiatieven die erg op de Werkschool lijken. Het is „onwenselijk dat er een nieuwe voorziening ontstaat naast de al bestaande voorzieningen voor kwetsbare jongeren”.

Desondanks mag de Stichting van Kamps rekenen op 3 miljoen euro subsidie. De Werkschool, zo schrijft Van Bijsterveldt, is eigenlijk geen voorziening, maar een „netwerk” dat alle verschillende voorzieningen en geldstromen zou kunnen „afstemmen en bundelen”. Bovendien wil het kabinet het „enthousiasme in de regio’s” niet „beteugelen”.

Misschien wel de belangrijkste reden om door te zetten staat niet in de brief: binnen Van Bijsterveldts partij, het CDA, bestaat grote weerstand tegen de bezuinigingen van 300 miljoen euro op het passend onderwijs. Het terugdringen van schooluitval en het aan het werk krijgen van kwetsbare kinderen via de Werkschool geven die bezuinigingen nog enige glans. Met dit concrete, positieve project kan Van Bijsterveldt ze makkelijker verkopen. De problemen met het concept kunnen later wel worden weggewerkt, denken ambtenaren.

Ongeoorloofde staatssteun

Nu de subsidietoezegging binnen is, moet Kamps alleen nog een formele subsidieaanvraag met begroting indienen. Terwijl de onderhandelingen daarover nog in volle gang zijn, gaat hij vast aan de slag. Hij laat een website maken, drukt folders en organiseert bijeenkomsten met scholen, gemeenten en potentiële werkgevers.

Op het ministerie zijn er wel zorgen. Betrokken ambtenaren waarschuwen Kamps dat de nauwe relatie tussen de Stichting en B&A niet kan voortduren. „We willen voorkomen dat we in discussies terechtkomen over ongeoorloofde staatssteun”, mailt een ambtenaar aan de stichting. Kamps moet daarom ook anderen dan zijn eigen adviesbureau opdrachten geven bij de uitvoering. Als Kamps op 6 september 2011 de formele subsidieaanvraag indient, belooft hij dat de Stichting opdrachten zal geven aan „een spreiding van externe partijen”.

Een maand later waarschuwt het ministerie ook dat de Stichting opdrachten moet aanbesteden. „Is dat met alle diensten die B&A verleent gebeurd?” Zoals het nu gaat, concludeert de ambtenaar, geeft het ministerie B&A eigenlijk staatssteun. En dat mag niet. „Voor ons allen, maar zeker voor de minister, zou het uiterst schadelijk zijn als blijkt dat [de subsidiebeschikking] niet conform alle daarvoor geldende richtlijnen is uitgegaan,” schrijft een ambtenaar.

De signalen dat het scheef zit, wegen niet op tegen de enorme politieke druk om de Werkschool te realiseren. Voor bedenkingen is geen politieke ruimte.

Eind november 2011 keurt het ministerie de subsidieaanvraag formeel goed. De stichting zal drie jaar lang 1 miljoen euro per jaar krijgen. De betalingen beginnen.

Het unieke boegbeeld

Vier maanden later is de glans eraf. Ambtenaren zijn uiterst ontevreden over het eerste activiteitenverslag dat Kamps en Papa inleveren. Ze vinden de verantwoording van de uitgaven vaag, en het is hun ook niet duidelijk hoeveel kinderen al aan een baan zijn geholpen.

Maar dat is het minste probleem. Kamps en Papa melden dat ze de hele subsidie aan een bv hebben overgedragen. Er was zoveel enthousiasme in de regio, en zoveel druk van het ministerie, dat Kamps ondanks het uitblijven van een formeel subsidiebesluit maar vast was begonnen met de Werkschool. Daardoor ging de stichting allerlei financiële risico’s lopen die hij wilde afwentelen op een bv, zo verdedigt Kamps de onorthodoxe constructie. Het financiële risico, schrijven hij en Papa, is ondergebracht bij „een apart programmabureau” dat de activiteiten uitvoert. Dit programmabureau betreft „een private partij die de kosten heeft voorgefinancieerd”.

De distantie waarmee Kamps en Papa de geschiedenis beschrijven is curieus. De ‘private partij’ is namelijk een bv waarvan ze zelf – met zakenpartner Ten Kroode – via een tussen-bv met verschillende holdings eigenaar zijn. De drie zakenpartners hebben de bv gebruikt om bijna het hele subsidiebedrag van 1 miljoen euro voor 2011 uit te geven aan opdrachten voor B&A – waar ze ook alledrie eigenaar van zijn. Bijna vier ton gaat op aan hun declaraties.

Dat is niet alles. De stichting meldt in het verslag dat er ook een adviseur is ingehuurd, vanwege diens „unieke positie als boegbeeld van de Werkschool”. Zijn naam: Hans Kamps. De bedenker van de Werkschool gunt zichzelf een ‘managementfee’ van 161.150 euro, bovenop de 150.000 euro die B&A in 2011 declareert voor de uren die Kamps als consultant aan de Werkschool heeft gewerkt.

Ambtenaren van het ministerie kunnen het nauwelijks geloven. Kamps heeft zich al die tijd gepresenteerd als maatschappelijk betrokken weldoener, die financieel zo onafhankelijk is dat hij zich voor de maatschappij wil inzetten. Opeens zitten ze tegenover een zakenman die via een ingewikkelde constructie een grote zak subsidiegeld naar zijn eigen bv’s heeft gesluisd. Alle ‘signalen’ waar ze eerder om pragmatische en politieke redenen langs manoeuvreerden, vallen op hun plaats.

Beide partijen halen er juristen bij. De advocaat van de Werkschool probeert tevergeefs de bezwaren tegen de opgetuigde constructie weg te nemen. Ja, hij was ook „buitengewoon onaangenaam verrast door dat dubbele-pettenverhaal”, schrijft hij ambtenaren. Geen kwade wil, bezweert hij, maar overmatig enthousiasme. Na een maand overleg melden Kamps en zakenpartners dat het opnemen van de managementfee een „administratieve fout” was.

Ambtenaren realiseren zich hoe groot de publicitaire risico’s zijn. Ze schakelen de financiële controledienst van het Rijk in. Die concludeert dat de juridische constructie die Kamps en zijn partners hebben opgetuigd , op cruciale punten niet aan de subsidievoorwaarden voldoet.

De controledienst berekent dat 90 procent van het subsidiegeld naar B&A is gegaan. Ook uit onderzoek van het ministerie blijkt dat van de door Kamps beloofde spreiding van opdrachten niets is terechtgekomen.

Ook de resultaten vallen tegen, meldt een ingeschakeld onderzoeksbureau. Binnen de vijf regionale Werkschool-netwerken die zijn opgericht hebben na een jaar „3 leerlingen (bijna) een arbeidsplaats en 2 een stageplaats”. Het ministerie had – op grond van het rekenwerk van Kamps – gerekend op vijfhonderd tot drieduizend leerlingen. Niet vijf.

Belangenverstrengeling

Op 5 november 2012 treedt het kabinet- Rutte II aan. Jet Bussemaker wordt minister. Dat geeft de zaak een aparte wending: tot dat moment is zij lid van de Raad van Advies van B&A. Om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen, bemoeit zij zich niet met de Werkschool. De carrières van Kamps en Bussemaker hadden elkaar vaker geraakt. In 2004 al werd Kamps mede op Bussemakers voorspraak lid van de SER. Hij beschouwt de relatie als een vriendschap.

Twee weken later stuurt het ministerie een brief naar Kamps dat er sprake is van een „onrechtmatige situatie”, en dat de subsidie wordt stopgezet. De Stichting, schrijft het ministerie op 31 mei 2013, heeft de Europese aanbestedingsregels geschonden en zich schuldig gemaakt aan „ongeoorloofde belangenverstrengeling”.

Kamps tegenargument dat de Stichting de subsidie aan de bv doorsluisde om financiële risico’s te voorkomen, deugt volgens het ministerie niet. In het contract tussen de Stichting en de bv worden juist „alle mogelijke risico’s voor de bv uitgesloten”. Kamps en zijn partners hebben met deze constructie „bewust” B&A „begunstigd”, schrijft het ministerie.

Het handelen van Kamps en zijn zakenpartners is voldoende „voor de volledige intrekking” van de subsidie, luidt de conclusie. Toch gebeurt dat niet – door nalatigheid van het ministerie zelf. Omdat het ministerie Kamps zo lang zijn gang liet gaan, hoewel ambtenaren wisten van de betrokkenheid van B&A, worden op advies van de landsadvocaat alle werkzaamheden van het adviesbureau tot de datum van het formele subsidiebesluit in 2011 toch gesubsidieerd.

Het ministerie heeft nog één probleem: de roemloze ondergang van het project melden aan de Tweede Kamer. Ze vinden een onopvallend moment. In een 17 pagina’s tellende Voortgangsrapportage Passend Onderwijs wijden ze op de één na laatste pagina een paar zinnen aan de kwestie. „Vanwege procedurele fouten inzake het niet naleven van de Europese aanbestedingsregels en onvoldoende belangenscheiding, is besloten de subsidie stop te zetten […] en lager vast te stellen.” De truc werkt. Het valt niemand op.

Kamps en B&A blijven ook hierna nog geregeld klussen doen voor of namens het ministerie. In juli 2015 benoemt Bussemaker Kamps een half jaar lang als gezant bij het noodlijdende ROC Leiden, voor drie dagen per week. Beloning: 124.000 euro.