Column

Uitstekende vakman, helaas geen achterban: de politiek anno 2016

Deze week: de opkomst van het politiek amateurisme, in Nederland en de VS, en de mogelijke strategieën daartegen. Ofwel: hoe Den Haag tobt met de feitenvrijheid in de publieke oordeelsvorming.

©

Politiek – het blijft een vak. Je kunt eindeloos uitvaren tegen de politieke klasse. Maar als je, zoals deze week die lui van UKIP, nog niet de klasse hebt, vlak na de Brexit, een onderling conflictje geweldloos op te lossen, moet je niet vreemd opkijken als de waardering voor het amateurisme vlot zal verflauwen.

Het probleem is alleen: het zijn lang niet alleen de amateurs die zich in de nesten werken.

Staatssecretaris Eric Wiebes werd woensdagavond laat door Pieter Omtzigt (CDA) betrapt dat ze bij de Belastingdienst zomaar een half miljard euro uitgeven zonder aan de interne toezichteisen te voldoen. Voor een VVD-bewindsman op Financiën nogal bijzonder.

Wiebes representeert een andere politieke trend. Ook vakmanschap is in Den Haag een soort marketing geworden: je toont het niet aan, je kondigt het aan. Toen hij twee jaar terug naar Den Haag werd gehaald, hoorde je overal dat hij volgens collega’s een hoogbegaafde probleemoplosser is.

Dit zal vast waar zijn. Maar ondanks die genialiteit blijft de Belastingdienst een soort barrel: je weet nooit welk motorblok nu weer uitvalt.

Amsterdamse politici beste van de wereld

Misschien speelt ook een rol dat Wiebes in 2014 uit de Amsterdamse gemeentepolitiek overkwam. Op de een of andere manier bestaat daar de overtuiging dat Amsterdamse politici de beste politici ter wereld zijn. Dit schreeuwen ze er ook voortdurend van de daken. Dus in Den Haag vallen ze altijd tegen.

Wat dat betreft had de aankondiging, dinsdag in het AD, van de transfer van D66-kroonprins Jan Paternotte iets onheilspellends. Ook hij verruilt de raad van de hoofdstad voor Den Haag, en ook hem worden in Amsterdam weer enorme talenten toegedicht: een slechter begin is amper denkbaar.

Maar wat me deze week vooral aan het denken zette is dat Den Haag, als nationaal politiek centrum, zich amper nog raad weet met de wereld om zich heen. Donderdagmiddag wipte ik binnen in Diligentia, bij het jaarcongres van de lobbyistenvereniging Bvpa. De beroepsgroep die zich begeeft op het snijvlak van officiële politiek, maatschappij en marketing.

Ze hadden een collega uit Oostenrijk laten overkomen, die vertelde over zijn ervaringen met de introductie van overheidsregels voor lobbyisten.

Dit was niet erg bevallen, vertelde de man, die Peter Köppl bleek te heten. Maar wat deed je eraan? „We leven in een post factual democracy”, zei hij, en om me heen zag ik mensen instemmend knikken.

Beleid, feiten en argumenten waren onbetekenende dingetjes geworden. „Het enige dat echt telt is dat je iets eenvoudig aan de media en het publiek weet te verkopen”, vertelde Köppl.

Ik keek nog een keer om me heen, het was vrij donker in Diligentia, en ik realiseerde me ineens dat deze Oostenrijker een ongemak verwoordde waar heel Den Haag in feite mee tobt: professionals die niet weten om te gaan met het politiek amateurisme en de feitenvrijheid van de publieke oordeelsvorming.

Dirty tricks

Zo kwam ik vanzelf weer op de gesprekken met campagnestrategen die ik deze zomer in de VS voerde.

In feite zagen zij het afgelopen anderhalf jaar hetzelfde verschijnsel, in uitvergrote vorm: de overmatig geprofessionaliseerde Hillary Clinton tegen de amateur Donald Trump. Regie en rationaliteit versus improvisatie en bijna-feiten.

Ook Roger Stone, de dirty trickster die al veertig jaar met Trump werkt, legde me uit dat de vastgoedbaas niet stuurbaar is. „Je kunt hem als adviseur nooit uitspraken opdringen”, zei Stone.

En dus zagen professionals hem maandenlang de ene beginnersfout na de andere begaan. Geïmproviseerde speeches in „de taal van een pestkop uit groep zes”, zei Bob Shrum me, de invloedrijkste progressieve woordsmid van de laatste veertig jaar. Het grote publiek zou deze ongedisciplineerde pessimist gegarandeerd afwijzen.

Omgekeerd ontpopte Clinton zich tot een hyperprofessionele kandidaat. Tad Devine, de campagnestrateeg van Bernie Sanders, vertelde me waarom Sanders het geruime tijd goed tegen haar deed.

Sanders gaf Devine de vrije hand bij het maken van reclamespotjes. De Clintoncampagne antwoordde met steriele filmpjes.

Het deed Devine denken aan grote campagnes (Jimmy Carter, Al Gore, John Kerry) waarvoor hij eerder werkte. „Die peilen elk fragment, alles wordt geanalyseerd”, zei Devine. „De professionaliteit slaat de creativiteit dood.”

Intussen bleek het mediapolitieke circuit amper op Trumps aantrekkingskracht – geen carrièrepoliticus – en zakelijk instinct berekend.

Trump spéélde in hoge mate de amateur. „Meteen na het verlies van Romney in 2012 heeft hij het copyright op de leuze Make America great again gedeponeerd”, vertelde Stone me.

Hij gaf talloze tv-interviews – om de aanschaf van tv-advertenties te ontlopen – en transformeerde die interviews eigenhandig tot commercials. „Ik geloofde ook niet dat het kon”, zei Stone met een vette glimlach.

Zo deed Trump, de amateur, van alles dat de professionals afwezen. Hij schoot met hagel op Clinton en de media. Elke dag, zo vaak mogelijk. Ook hier zagen campagneprofessionals niets in.

„Je achterban vindt het even leuk”, zei David Winston, de conservatief die Rutte in 2007 adviseerde en in het verleden kandidaten als Ronald Reagan en Newt Gingrich bijstond. „Maar als je dagelijks The New York Times oneerlijk noemt, denkt echt niemand: op hem moet ik stemmen.”

Zo scheidden de werelden van professionele campagnestrategen en de Trump-campagne zich. Zodanig dat Trump de hele branche aan het wankelen bracht: als hij in november wint, is niet alleen zijn partij voor altijd veranderd, maar is dat ook een aardbeving voor de beroepsgroep van de campagnestrategen.

De gevolgen zijn somber stemmend, legde oud-Rutte-adviseur David Winston me uit.

Volgens hem liet de kandidatuur van Trump en in mindere mate Sanders zien dat carrièrepolitici, de vakmensen, steeds moeilijker de aandacht van de burger vangen. Te saai, te professioneel.

Daarom, zei hij, vallen die carrièrepolitici elkaar steeds agressiever aan. „We overprikkelen burgers – die vinden dat Washington te weinig voor ze doet – met aanvallen waarin politici elkaar afmaken”, zei Winston.

Vandaar: Clinton is een oplichter, Trump ongeschikt. „Voor burgers de bevestiging dat politiek er niet voor hen is.”

Er komt bij dat politiek nooit meer gaat over kwaliteiten van kandidaten, alleen over hun gebreken. „De uitkomst: de twee minst geliefde kandidaten strijden om de hoofdprijs”, zei Winston.

Feitenvrije amateur

De één te veel beroepspoliticus, de ander te veel feitenvrije amateur. „De tragiek”, zei Winston, „is dat Trump het beste argument tegen Clinton is. En Clinton het beste argument tegen Trump.” Dus wat de uitslag straks ook is: „Het electoraat zal ongelukkig zijn.”

Ziehier de diepgaande crisis van de westerse politiek – waarvan je de contouren ook in Nederland ziet.

Aan de ene kant de beroepspolitiek die te professioneel is geworden. In zichzelf gekeerd, uitgedokterd, samengevat in sound bites. Zo voortreffelijk doordacht dat je nooit meer achterhaalt wat de kern precies is. Het kan een vakman zijn, het kan een charlatan zijn.

Daartegenover de amateur, die de vaklui bestrijdt met te grote woorden en te veel bijna-feiten. Die zijn eigen mediacreatie wordt. Aan de ene kant omdat hij gebruik maakt van het gat dat de geprofessionaliseerde politici met hun prefab-teksten laten vallen. En aan de andere omdat de vermenging van nieuws en entertainment altijd aandacht voor het minder gestileerde geluid genereert – zie oud-voetballer John de Wolf in de Kamer deze week.

Dus je zou willen dat de beroepspolitiek de eigen kwetsbaarheid onder ogen komt. Niet voor niets worden de kijkcijfers voor beroepspolitici steeds slechter.

En als Amerika iets laat zien, is het dat je feitenvrijheid niet bestrijdt met professionaliteit: feitenvrijheid bestrijd je met creativiteit en, vooral, echtheid.