Opinie

Referendum is de bomgordel van de democratie

OpinieHet referendum zet mensen tegen elkaar op en versimpelt de werkelijkheid op een gevaarlijke wijze. Laten we het referendum daarom wegstemmen, schrijft mediator Steven de Winter.

Spreewald, 1934. Kinderen hangen posters op voor het referendum, over meer bevoegdheden voor Hitler.

Referenda maken meer kapot dan je lief is. In april stemde 61 procent, van nog geen derde van de Nederlandse stemgerechtigden, tégen het Associatieverdrag met Oekraïne. In juni moest 48,1 procent van de Britse stemmers accepteren dat een nipte meerderheid vóór een Brexit koos. Afgelopen zondag konden de Hongaren ‘ja’ of ‘nee’ zeggen tegen een vluchtelingenquotum; ‘nee’ won, maar het vereiste opkomstpercentage van ten minste 50 procent werd niet gehaald. In Colombia werd op dezelfde dag 49,8 procent van de stemmers teruggeduwd in een burgeroorlog omdat 50,2 procent met een simpel ‘nee’ het na jarenlange onderhandelingen moeizaam bereikte vredesakkoord met de FARC afwees. En Italië beslist op 4 december in een referendum over het lot van premier Renzi, met het reële risico dat de eurosceptische clown Beppe Grillo aan de macht komt.

Zo manifesteert het referendum zich steeds nadrukkelijker als bomgordel om de democratische rechtsstaat. En bomgordels ontploffen.

Het is daarom de hoogste tijd voor een referendum over de Wet raadgevend referendum. Zo’n referendum maakt iedereen blij. Tegenstanders kunnen eindelijk afrekenen met dit gedrocht, voorstanders omarmen elk referendum. Puntje van zorg: hoe formuleren wij de vraag die Het Volk ter beantwoording zal worden voorgelegd?

Foto Hollandse Hoogte

Steven de Winter. Foto Hollandse Hoogte

Artikel 58 van de wet geeft maar één mogelijkheid: bent u voor of tegen de Wet raadgevend referendum? Zou het formuleren van de vraag echter een vrije kwestie zijn, dan zal blijken dat de vrienden van zo’n referendum de vraag anders formuleren dan de tegenstanders. Zo wordt een fundamentele tekortkoming van het referendum als ‘opiniepeilende’ methode direct blootgelegd, namelijk dat de formulering van de vraag sturend is voor het antwoord.

Rond 1970 wilden werkgevers een volcontinudienst invoeren in de strokartonindustrie in Oude Pekela. Actieleider Fré Meis was tegen. Daarop werd een soort referendum georganiseerd, waarin de strokartonarbeiders de volgende vraag kregen voorgelegd: „Volcontinudienst ontwricht zoals bekend het gezinsleven. Bent u voor of tegen volcontinudienst?” Iedereen was tegen.

Ik werkte indertijd als radioverslaggever in Noord-Nederland en besloot om twee uitgesproken tegenstanders van volcontinudienst uit Oude Pekela uit te nodigen voor een gesprek met collega-strokartonarbeiders in Appingedam, die al geruime tijd volcontinudienst draaiden. Binnen een kwartier waren de beide Pekelders compleet van mening veranderd . Zij vroegen hun Damster collega’s het hemd van het lijf over hoeveel uren compensatie zij kregen na een periode in de nachtploeg en welke extra beloning er tegenover volcontinudienst stond. De standvastigheid der kameraden bleek al bij het eerste het beste tegengeluid uiterst broos.

Adolf Hitler

Adolf Hitler snapte als geen ander hoe hij het referendum ten eigen nutte kon inzetten om aldus het parlement te omzeilen. Op 12 november 1933 peilde hij het gesundes Volksempfinden over Duitslands uittrede uit de Volkenbond met de vraag: „Vind jij, Duitse man en jij, Duitse vrouw, deze politiek van jouw Rijksregering goed en ben jij bereid te verklaren dat deze politiek uitdrukking geeft aan jouw eigen opvatting en jouw eigen wil en je daarmee plechtig te vereenzelvigen?”

Op 19 augustus 1934 deed hij het weer, toen vroeg hij het Duitse volk: „De functie van Rijkspresident wordt samengevoegd met die van Rijkskanselier. Dientengevolge gaan de bevoegdheden van de Rijkspresident over op die van de Führer en Rijkskanselier, Adolf Hitler. Hij bepaalt wie zijn plaatsvervanger is. Ga jij, Duitse man en jij, Duitse vrouw akkoord met de in deze wet getroffen regeling?” Zo werd Hitler Führer en Reichskanzler tegelijk.

In een bericht in het Algemeen Handelsblad van 17 oktober 1934 wordt uitgelegd dat, nu Hitler dankzij de uitkomst van het referendum van 19 augustus 1934 onafzetbaar is geworden, zijn verantwoordelijkheid jegens de Rijksdag is opgeheven, maar „daartegenover staat, dat de rijkskanselier (Hitler) uit eigen wil een politieke en moreele verantwoordelijkheid op zich heeft genomen, de verantwoordelijkheid tegenover het volk, waaraan hij door middel van een referendum zijn geheele opbouw-arbeid ter beoordeling heeft onderworpen.” Hitler verving het parlement door het referendum. Zo nieuw is het dus niet, een politicus die het parlement terzijde schuift (‘nep-parlement’) en het referendum verkiest voor het voeren van zijn politieke strijd.

Het referendum is de eenvoudigste en snelste manier om parlementaire besluitvorming in een democratische rechtsstaat te omzeilen. Het onderwerp van een referendum is altijd een volstrekt willekeurige greep uit een oneindige reeks kwesties. Daarom is het zo’n aantrekkelijk strijdmiddel voor politieke avonturiers: je hoeft je maar om één kwestie druk te maken. Iedere marginale politieke beweging kan vrijelijk enkele speerpunten kiezen en Het Volk naar zijn mening vragen. Maar Het Volk heeft helemaal geen mening.

Bovendien, te veel kwesties zijn te complex om daarop met een voor of een tegen te reageren. Er moeten ook regels op elkaar afgestemd kunnen worden. Dat vereist deskundigheid. Referenda verstoren het afwegingsproces van de gekozen volksvertegenwoordigers in het parlement, hebben een ontwrichtend effect op het functioneren van de democratische rechtsstaat.

Misleiding

Niet alleen Hitler misleidde de mensen met zijn referenda. Misleiding was ook overweldigend aanwezig in de Brexit-campagne, zoals de belofte dat voortaan iedere week 350 miljoen pond naar de Nationale Gezondheidsdienst kon gaan in plaats van naar de EU. Ook tijdens de campagne voor het Oekraïnereferendum werd er lustig op los gelogen.

Onderzoek in opdracht van de NOS wees uit dat 46 procent (van de 32 procent opgekomen stemgerechtigden) tegen het Associatieverdrag stemde in de veronderstelling dat het om toetreding van Oekraïne tot de EU ging. Maar dat staat nergens in het Associatieverdrag. Niettemin hadden de initiatiefnemers van dat referendum alles uit de kast gehaald om Het Volk bang te maken voor het aanstaande EU-lidmaatschap van Oekraïne. Echter, geen enkel land kan even de EU worden ‘ingerommeld’ – artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie laat dat eenvoudigweg niet toe. Iemand die rechten heeft gestudeerd, zoals een van de initiatiefnemers van het referendum, en nochtans met droge ogen beweert dat Oekraïne door middel van het Associatieverdrag de EU wordt binnengeloodst, is doende stemmers opzettelijk te misleiden, om ze te winnen voor een standpunt dat zij, waren zij wél goed geïnformeerd, niet zouden delen. Het Wetboek van Strafrecht kwalificeert zulk gedrag met het mooie woord (art. 354 Sr): ‘Arglistig’.

In het misleiden van de stemmers spelen professionele nieuwsmedia een niet te veronachtzamen rol. Misleiders krijgen veel ruimte in de media. Hun leugens veroorzaken reuring – en reuring voert de boventoon waar nuance steeds verder wegkwijnt. De Belgische verslaggever en schrijver Chris de Stoop, die jarenlang spraakmakende reportages voor het Belgische weekblad Knack maakte, nam precies daarom onlangs teleurgesteld afscheid van de journalistiek, die wat hem betreft is verworden tot „steekvlamjournalistiek”. Ook Helen Boaden, directeur van BBC radio, hekelde vorige week in haar afscheidsspeech de manier waarop de traditionele media steeds vaker toegeven aan wat de markt vraagt: „Black and white answers to overwhelmingly complicated problems.” Alles zwart/wit, ja/nee, voor/tegen. Aan ‘geen mening’ doe we niet meer.

Maar de Zwitsers dan? Komt de leuze ‘Das Volk hat immer recht’ niet daar vandaan? Jarenlang heb ik vanuit Genève als correspondent gewerkt. Ik heb toen vaak met Zwitsers over het (vermeende) nut van referenda gesproken. Ik vond het wel wat hebben: referenda dwingen politici op hun knieën te gaan om de kiezers begrijpelijk uit te leggen wat op het spel staat. Echter, noch het Zwitserse staatssysteem – confederatie van in hoge mate zelfstandige kantons, met een afspiegelingscollege als nationale regering – noch de Zwitserse politieke cultuur laat zich zomaar op een andere plek kopiëren.

In Zwitserland een referendumvoorstel indienen is bovendien veel ingewikkelder dan hier. Eerst buigt de regering zich erover, dan de beide Kamers van het parlement, die ook een tegenvoorstel kunnen opstellen dat tegelijk met het Volksinitiatief aan de kiezers wordt voorgelegd. Om te winnen is een landelijke meerderheid van de stemmen nodig, plus een meerderheid in tenminste 14 van de 26 kantons.

Walhalla van de referenda

Inmiddels worden zelfs in het walhalla van de referenda kritische kanttekeningen geplaatst bij het verschijnsel referendum. Men vraagt zich af hoe het komt dat van de tweehonderd nationale volksinitiatieven waarover sinds 1892 in Zwitserland is gestemd, maar liefst een derde plaatsvond in de laatste vijftien jaar. En er zijn zorgen over hoe emotie – met name angst zaaien – en niet inhoud de strijd om de stemmen overheerst. Angst leidt vaak tot haat. Dat was al zichtbaar bij het eerste Zwitserse volksinitiatief, in 1892, dat ging over Joden, over ritueel slachten.

Marketeers, en dat zijn de verkopers van referenda, richten zich op beleving, op gevoel. Niet het volk regeert maar de emotie: de emocratie.

Na een lang leven in de journalistiek ben ik nu mediator. De kern van mediation is partijen bij de hand nemen, ze om de kwestie heen leiden, om hen zelf te laten ontdekken dat er ook andere invalshoeken zijn. Een goede interventie op het goede moment kan partijen in beweging brengen; starre standpunten kunnen zomaar flexibel worden. Om dat te bewerkstelligen moet een mediator allereerst partijen helpen met hun eigen emotie en met de emotie van de ander om te gaan, moet er sprake zijn van een herstel van het emotionele evenwicht tussen partijen, om de lucht te klaren, belemmeringen weg te nemen, voor het gesprek over de inhoud.

Als je in de emotie blijft hangen, kom je geen stap verder, dan zetten partijen hun hakken nog steviger in het zand. Dat is wat bij referenda gebeurt: de emotie wordt gevoed, de inhoud blijft buiten beeld. Daardoor dragen referenda niet bij aan de oplossing van inhoudelijke kwesties. Integendeel, referenda verbreden de kloof tussen voor- en tegenstemmers.

De principiële vraag is: met welk recht mag een meerderheid van 50 procent + 1 beslissingen nemen waar een minderheid van 50 procent – 1 zich naar heeft te voegen? Stel dat gelovig Nederland in 2001 een referendum had afgedwongen over het homohuwelijk, dan was er een gerede kans geweest dat een (nipte) meerderheid van de opgekomen stemmers tegen had gestemd. Is een referendumoverwinning de legitimatie voor de meerderheid om de minderheid iets te verbieden? Dat is precies waar Aristoteles ruim 2.300 jaar geleden, al voor waarschuwde: de tirannie van de meerderheid.

Het is dan ook de hoogste tijd voor een referendum over de Wet raadgevend referendum. De vraagstelling zou kunnen luiden: „Het referendum bedreigt zoals bekend de democratische rechtsstaat, het zet stromingen in de maatschappij tegen elkaar op en het versimpelt de werkelijkheid gevaarlijk. Bent u voor of tegen referenda?”