Cultuur

Interview

Interview

Foto Peter Trykar/DPA

‘Mensen willen dat ik me als slachtoffer gedraag’

Interview Tien jaar geleden ontsnapte de Oostenrijkse Natascha Kampusch (28) uit de kelder van haar ontvoerder. In Tien jaar vrijheid beschrijft zij hoe het haar sindsdien verging. „Ik vind het eng hier te zitten, maar mijn boek moet gepromoot worden.”

‘Heeft u wel eens het geluid van de televisie uitgezet om de gezichten en gebaren van mensen te bestuderen? Het is interessant wat je ziet als je je niet door woorden laat afleiden.”

In het Amsterdamse viersterrenhotel gaat Natascha Kampusch (28) er eens goed voor zitten om de menselijke emoties te verbeelden: angst, woede, verdriet, frustratie, cynisme. „Wat mensen zeggen correspondeert vaak niet met wat ze doen”, zegt zij. „Daarom moet je altijd op je hoede zijn.”

De vrouw die van haar tiende tot haar achttiende door elektrotechnicus Wolfgang Priklopil gevangen werd gehouden in diens kelder in het Oostenrijkse Strasshof – waar zij werd mishandeld en misbruikt – noemt het een levensles: geen mens is volledig te vertrouwen. “Die les heb ik verinnerlijkt”, zegt zij. “Vergelijk het met een piloot die tijdens de vlucht alles om zich heen in de gaten houdt.”

Tijdens ons gesprek over haar nieuwe boek Tien jaar vrijheid. Mijn strijd om te overleven buiten de kelder toont Kampusch zich een ervaren navigator. Op de meest onverwachte momenten onderbreekt zij haar eigen betoog met een vraag of constatering:

„Wat is dat gestommel boven ons hoofd?”

„Hé, liep daar nou Paul McCartney langs?”

„Zijn de trappen in Amsterdam van speksteen?”

Kampusch is snel afgeleid, denk je in eerste instantie. Maar na verloop van tijd begint het op te vallen dat zij zich verzet tegen gedetailleerde vragen over haar boek. „Ik vind het eng hier te zitten”, geeft zij toe. „Maar mijn boek moet gepromoot worden.”

Door de grote media-aandacht van de laatste jaren heeft Kampusch het gevoel dat zij in een gouden kooi zit. En dus moet zij grenzen trekken. Vijf dagen na haar ontsnapping (in 2006) dreigde zij journalisten met „gevolgen” als die grenzen overschreden zouden worden. Vragen over ‘intieme of persoonlijke details’ zou zij niet beantwoorden, schreef zij in een brief die haar arts tijdens een persconferentie voorlas. In haar boek houdt zij zich aan dat voornemen.

In de afgelopen jaren legde zij vriendschappelijke relaties met journalisten aan. „Veel van de mensen die destijds over mijn zaak schreven zijn oud of gaan binnenkort dood”, constateert zij droog. Op de vraag of zij de media vertrouwt, zegt zij: „Ik vertrouw alleen het weerbericht en de cultuuragenda. Ik háát het als Jennifer Aniston een zwangerschap in de maag wordt gesplitst.”

Wie de lange lijst van als feiten gepresenteerde geruchten over Kampusch leest, begrijpt haar achterdocht. Zij zou volgens Oostenrijkse media meerdere keren zijn ontsnapt tijdens haar gevangenschap en vrijwillig naar Priklopil zijn teruggekeerd. Zij zou zijn bevallen van zijn kind en dat levend begraven hebben. Ook zou zij een pedofilienetwerk proberen te beschermen.

„Oostenrijkers zijn slecht over mijn zaak geïnformeerd”, zegt zij. „Mijn landgenoten zijn de afgelopen jaren zeer onbeleefd tegen mij geweest. Ik wil dat ze me beter begrijpen. Dat is een van de redenen waarom ik dit boek wilde schrijven.”

In uw boek beschrijft u hoe een vrouw u op het hoofd slaat met een opgerolde krant. Ze had net gelezen dat u uw kind had begraven.

„Ja, ze las dat bericht en zag mij lopen. ‘Waarom heb je dat arme kind begraven, trut’, beet zij mij toe. Het voelde voor haar natuurlijk mij te slaan en die woorden uit te spreken.”

Hoe reageerde u?

„Ik dacht: ze is een oude vrouw. Misschien heeft zij niets behalve die krant.”

Waar staat zo’n gebeurtenis voor?

„Mensen zijn beïnvloedbaar. Kent u The Wave?” Kampusch doelt op het waargebeurde verhaal over een geschiedenisleraar op een Amerikaanse school die met een experiment duidelijk wil maken wat er in nazi-Duitsland is gebeurd. „Ook daar leidt foutieve informatie tot sociale ontwrichting.” Later in het gesprek komt Kampusch terug op het nazi-bewind. „Duitsers en Oostenrijkers waren daar nauw bij betrokken”, zegt zij. „Maar na de oorlog leden ze in die landen aan collectief geheugenverlies. Nazi, ik? Nee hoor. We pakken de draad gewoon weer op en worden leraar, politicus of politieman. Het is één grote leugen.”

Wat wilt u hiermee zeggen?

„Iedereen heeft de mogelijkheid voor het goede of slechte te kiezen. Soms maken we goede beslissingen, soms slechte. Zwart en wit bestaan, maar er is ook grijs, blauw, groen en rood.”

Mensen lijken er moeite mee te hebben dat u in grijstinten denkt. In uw brief aan de media, na uw ontsnapping, schreef u: ‘Ik leef mee met de moeder van Wolfgang’.

Ze denkt even na. „Misschien. Mensen willen graag een duidelijk onderscheid. Ze willen dat ik mij als slachtoffer gedraag, niet als sterke, onafhankelijke vrouw. Dat verwart. Ik fungeer als een spiegel omdat ik hen met hun eigen traumatische ervaringen confronteer.”

Hoe weet u dat zo zeker?

„Ik lees het terug in de reacties op internetfora en in artikelen die over mij zijn verschenen. ‘Ga terug naar je kelder’. ‘Eigen schuld, dikke bult’. ‘Aandachtshoer’. Er kwam geen einde aan alle beledigingen. Iemand vroeg me waarom ik met Priklopil was meegegaan. Méégegaan? Hij greep me! Maar er zijn zo veel andere…” ze maakt haar zin niet af.

U kreeg ook de vraag of u voorbehoedmiddelen gebruikte tijdens het misbruik.

Ze zwijgt en kijkt naar haar handen. „Daar wil ik niets over horen”, zegt zij.

Het is een citaat uit uw boek.

Ze wijst naar buiten, waar een man langs het raam loopt. „Hello”, roept ze.

U schrijft een boek over een spraakmakende zaak en zegt: daar ga ik niet op in?

Ze knikt.

U heeft een tour door Europa gepland. Dat valt moeilijk vol te houden.

„Ja, maar de gedachte aan vreemde vragen vind ik onverdraaglijk.” Ze veert op. „Wat is de ergste vraag die u ooit werd gesteld?”

Ik kan er best een paar bedenken, maar ik schreef er geen boek over.

„Misschien komt het doordat ik altijd dezelfde vragen krijg.”

Het verveelt u?

Ze kijkt weg. „Weet u dat u op Agnetha van ABBA lijkt?”

U draagt uw boek op aan ‘al die dappere vrouwen die vechten voor hun onafhankelijkheid’. Beschouwt u zichzelf als rolmodel?

„Ja, door te zijn wie ik ben. Maar wie weet ga ik op een dag projecten voor vrouwen ontwikkelen.”

Wat gaf u de kracht om uw gevangenschap te overleven?

„Het zit in mijn persoonlijkheid. Ik denk dat ik die kracht van mijn ouders heb geërfd.”

‘Mijn moeder heeft me geleerd wat discipline is en hoe ik emoties kan uitschakelen’, schrijft u.

Kampusch vouwt haar handen. „Hmmm”, zegt zij. „De volgende vraag?”

Waar haalde u de kracht vandaan?

„Het is een kwestie van doorzettingsvermogen: hoe graag wil een mens leven? Kent u dat verhaal van die man die een koelcel in ging en er niet meer uit kon komen? Hij verwachtte dat hij binnen een paar uur zou bevriezen. Dus bevroor hij ook. Later bleek dat de koelcel defect was, de temperatuur had hem niet de das omgedaan. Ik heb in die kelder ook momenten gehad dat ik dacht: nu ga ik dood. Maar die momenten werden altijd afgewisseld met perioden dat ik overtuigd was dat ik het zou overleven.”

Natascha Kampusch zegt dat zij zich een ander mens voelt dan het meisje dat op een onbewaakt ogenblik – haar ontvoerder kreeg een telefoontje toen zij de auto schoonmaakte in de tuin – haar vrijheid tegemoet rende. Ze voelt zich gelukkig en gezond en zegt dat niets haar meer uit haar evenwicht kan brengen. Boeken en gedichten schrijven, charitatieve projecten opzetten: daar wil zij zich de komende jaren aan wijden.

Op de vraag of zij ooit heeft overwogen een andere identiteit aan te nemen, schudt zij haar hoofd: „Welke identiteit ik ook aanneem, als ik ’s avonds thuis op de bank zit ben ik toch weer Natascha Kampusch.”

Ze springt op, trekt de glazen schuifpui open en roept: „Hè, hè, frisse lucht!”