Column

Links in Europa wordt nu óók nationalistisch

Gruyter, Caroline de 11-2013 037

Een Frans boek maakt furore in Duitsland: Retour à Reims van de socioloog Didier Eribon. Het is een openhartige roman over zijn ooit communistische familie: fabrieksarbeiders in Noordoost-Frankrijk, die nu vrijwel allemaal op het Front National stemmen. Eribon (1953) is als homoseksuele intellectueel hard uit het nest gevallen, maar keert na jarenlange radiostilte terug als zijn moeder op een dag belt om te zeggen dat zijn vader overleden is. Tegelijkertijd, en bovenal, is dit een intrigerend boek over hoe linkse partijen er niet in slagen om zich de problemen van grote groepen gemarginaliseerde, angstige burgers aan te trekken – in Frankrijk en elders in de westerse wereld.

Eribon velt een hard oordeel over links, van de traditionele Franse Parti Socialiste en de Britse Labour Party tot ‘vernieuwde’ linkse partijen als Podemos in Spanje of zelfs Occupy Wallstreet, die de ‘andere 99 procent’ zegt te vertegenwoordigen. Hij verwijt ze allemaal dat ze in hun strijd tegen de uitwassen van de globalisering en het neoliberalisme – uitwassen die zijn familie hard treffen en moedeloos maken – alsmaar nationalistischer worden. Het valt hem op dat linkse partijen steeds vaker termen als patrie of Heimat gebruiken. Dat ze steeds meer accent leggen op de strijd van ‘het volk’ tegen de elite, oligarchen en immigranten. Maar de volgende vraag is dan: wie horen er wel en niet tot dat volk? Zo kom je in een onsmakelijke Blut-und-Boden discussie terecht die iedereen, arbeiders incluis, alleen maar verder van huis brengt.

Het is een bekend beeld, natuurlijk: de socialistische internationale die verdampt als de arbeiders het vaderland gaan verdedigen. Maar Eribon heeft wel gelijk. Zijn familie zou, als zoveel Europeanen, baat hebben bij ouderwetse klassenstrijd, bij sociale en economische emancipatie – maar ze gaat voor onversneden nationalisme. En het zijn linkse partijen die haar die kant op duwen. Overal in Europa. Podemos-leider Pablo Iglesias is Marine Le Pen niet, maar neemt tegenwoordig net als zij woorden als ‘volk’ en ‘vaderland’ in de mond. Veel leden van de Labour Party hebben voor Brexit gestemd. De Franse socialisten, die ooit opkwamen voor arbeiders en minderheden, hebben heel zuinigjes 20.000 Syrische vluchtelingen binnengelaten. Slowaakse socialisten vormen een regering met onversneden fascisten, en stigmatiseren moslims. De PvdA (of wat ervan rest) praat over grenzen en repatriëring van bevoegdheden uit Brussel. In diverse Europese landen zien de Groenen de achterban overlopen naar extreem-links of -rechts. Zij voeren serieus debatten over de vraag of ze de kiezer terug moeten lokken met het discours dat hij kennelijk wil horen: anti-globalisering en pro kleinschalig, dorps geluk.

Alsof er een ‘goed’ nationalisme is, tegenover het ‘slechte’ nationalisme van (extreem-)rechts. Alsof je met meer dorpspomp en sociale cohesie in de wijk, hoe sympathiek ook, een politiek programma vult. Europa heeft een toekomst nodig. Visie. Perspectief. Behalve Angela Merkel is er haast geen politicus meer die dat biedt. Straatfeesten en yoga in het buurthuis voorzien in een behoefte – maar ze lossen de problemen van een vergrijzend, bedreigd Europa met te weinig werk en een uitdunnende middenklasse niet op. Kennelijk zijn er in juni Britten geweest die bij het referendum Leave én Remain hebben aangekruist. Twee hokjes rood. Dit waren kiezers die de EU in haar huidige vorm verkeerd vinden, maar niet denken dat je de problemen oplost kan door simpelweg te vertrekken. Dat heet dan ‘keus’, anno 2016, in de Europese politiek. Het heeft meer van een doodlopende straat.

Caroline de Gruyter is correspondent in Wenen en schrijft wekelijks een column over politiek en Europa.