Recensie

Kinderboekenkinderen zijn niet altijd meer helden

Kinderboekenweek

De kinderboekenweek heeft als thema ‘Voor altijd jong. Opa’s en oma’s’. De grootouders worden vaak verrassend traditioneel afgeschilderd. In de beste kinderboeken zijn de clichés ver weg en wordt er volop gerelativeerd.

Wat vertellen we onze kinderen? Dat opa en oma, hoe krakkemikkig en oud ze ook zijn, toch ‘voor altijd jong’ blijven? ‘Voor altijd jong’ is de leuze waarmee de Kinderboekenweek dit jaar in de boekwinkels wordt aangeprezen. Zo’n slogan is vrolijk, optimistisch, en commercieel natuurlijk – al lang voordat de Kinderboekenweek was begonnen, prijkten de opa-en-oma-gelegenheidsuitgaven in de hoogste posities van de verkooplijstjes. Leuk voor de opa’s en oma’s die voor hun kleinkind graag een boek kopen: die vinden het natuurlijk best prettig om te horen dat ze bij de tijd zijn, ‘voor altijd jong’, zo houden we het gezellig. Het mag dan allemaal wat langzamer gaan, maar als je je nog jong vóelt…

Dan kun je nog dollen met de kleinkinderen, dan komen Lisa en Jimmy of Jetje en Joep logeren, dan gaan ze met z’n allen naar de dierentuin en daarna thuis pannenkoeken eten, of dan blijken de opa’s en oma’s in het bejaardentehuis nog reuze kwiek. Dat is het aantrekkelijkste beeld, dat wordt neergezet in twee van de drie best verkopende kinderboeken van dit moment: Naar oma en opa Pannenkoek van Vivian den Hollander en Dagmar Stam, en Opa en oma Oelewapper en het raadsel van de verdwenen onderbroeken van Marianne Busser en Ron Schröder. Het zijn opvallend ouderwetse kinderboekenmakers die al decennia hetzelfde doen: boekjes maken die er ingaan als zoete koek.

Kinderliteratuur is immers de literatuur van de mogelijkheden. Daar bevinden zich nog ridders, dinosaurussen, prinsessen, speurtochten naar een schat, daar zijn opa’s en oma’s die niet strompelen of dementeren maar pannenkoeken bakken.

Het is de literatuur waar al decennialang een adagium geldt dat op de Amerikaanse droom lijkt: als je iets wilt, dan kun je het, en je kunt zelf de verantwoordelijkheid nemen voor je leven. Of dat nu geldt voor iemand die een brief moet bezorgen bij een koning, die een kruistocht onderneemt in spijkerbroek, een boomhut van 65 verdiepingen bouwt of de strijd moet aangaan tegen pestkoppen. Francine Oomen gaf in de jaren nul met de Hoe overleef ik-reeks een aanzet tot empowerment, door praktische tips te geven over hoe je het hoofd boven water houdt in de onoverzichtelijke emotionele wereld van een puber – haar lezers zullen inmiddels zijn doorgestroomd naar Griet Op de Beeck.

Dromen en bedrog

Zijn kinderboeken dan oneerlijk? Houden ze dromen voor die bedrog zijn? Misschien een beetje – maar de grootste trend die er de afgelopen jaren zichtbaar is geweest, over het hele spectrum van populaire mainstream-kinderboeken, is de intrede van de relativering. Kinderboekenkinderen zijn niet altijd meer helden. Lezers smullen van slapstick over ‘de loser’ en ‘de muts’. Ze weten uit de wereld van Harry Potter dat goed en kwaad verenigd kunnen zijn in dezelfde persoon. Ze leren dat je gelijk en je morele kompas op de proef worden gesteld en ontdekken als young adults dat de wereld, al dan niet in dystopische uitvergroting, eigenlijk verdraaid ingewikkeld is. De buitenwereld van de jaren nul en tien, met 9/11, mislukte oorlogen en crises, is doorgesijpeld in de kinderboeken. (Dat is natuurlijk niets nieuws: het succes van Annie M.G. Schmidt paste ook in haar tijd, zoals de jaren tachtig en negentig een hausse aan sociaal bewogen kinderboeken brachten.)

Die trend is zichtbaar in de mainstream, maar de relativerende, eerlijke stem klinkt evengoed bij de boeken die prijzen winnen – nuance was in de ‘literaire’ hoek van de kinderliteratuur natuurlijk al veel langer een pre.

Dit jaar hebben we een Gouden Griffel-winnaar als Anna Woltz, die in haar bekroonde Gips een kind opvoert dat zich niet wenst neer te leggen bij de scheiding van haar ouders. Dat gebeurt in kinderboeken vaker, maar Woltz maakt het niet mooier dan het is: haar hoofdpersoon Fitz komt erachter dat zij niet alles in de hand heeft. Terwijl ze daar achter komt beleeft ze wel een vrolijk avontuur, en aan het einde mag dan niet álles goedkomen, mooi en ontroerend is het zeker – het moet wel leuk blijven. Er mag dan een genuanceerd verhaal verteld worden, het moet ook aantrekkelijk en hoopvol zijn, zodat grote groepen kinderen het met plezier lezen.

Ook dat is de winst van deze tijd: het is allang niet meer zo dat een goed, prijswinnend kinderboek per definitie ‘moeilijk’ is, of slechts te pruimen voor een select groepje fijnproevers. Wellicht prettig om te weten voor opa’s en oma’s: een goed boek kan gezellig zijn. Niet iedereen blijft hangen in het clichébeeld van de pannenkoekenbakkers.

Boer Boris

Wie opa of oma is en deze Kinderboekenweek iets anders zoekt dan een koekjesbakkende oma, kan ook terecht bij Boer Boris gaat naar Oma van Ted van Lieshout en Philip Hopman. De Boer Boris-serie krijgt er telkens maar weer sterke nieuwe delen bij, en misschien is het verhaal van dit nieuwste deel wel het beste. Het jonge boertje, dat schijnbaar ouderloos op een onwerkelijk idyllisch platteland woont, gaat met de grote appeloogst naar ‘Oma’ in Den Haag: „Die bakt van appels taarten en van peren maakt ze sap, van pruimen maakt ze jam voor op beschuit en in de pap”. Maar de zweem van traditionele oma-spruitjeslucht die hier omheen hangt, is juist de crux van Van Lieshouts hilarische omkering: ‘Oma’ is geen oud vrouwtje, het is een appeltaartenfabriek.

Of denk aan het sympathieke Kapsalon Romy van Tamara Bos, waarin oma een hardwerkende vrouw met een kapsalon is – warempel een echt mens. Sterker nog: de ouderdom krijgt vat op haar, ze wordt steeds vergeetachtiger, tot het eigenlijk niet meer gaat. Die aftakeling is nou niet bepaald ‘gezellig’, maar Bos mengt de zieligheid met een opgewekte toon die vooral eerlijk is. Dat is ook de kracht van het mooiste opa-en-oma-boek dat er nu in de winkels ligt: Het eiland van opa van prentenboekenmaker Benji Davies. Als Sem door zijn opa naar zolder wordt geroepen, een stalen deur doorgaat en vanaf het dakterras naar een eiland zeilt, komen ze op een plek waar opa wil blijven, waar de oude man voor eeuwig wil blijven. Sem moet alleen terug – het is een subtiele, maar ook frisse en warme fabel over de dood. Want niemand blijft voor altijd jong.