Jij bent arm, ik ben rijk. Hier is alles verdeel en heers

Indonesië Twee jaar geleden kreeg Indonesië een president die beloofde een eind te maken aan corruptie en machtsmisbruik. Correspondent Melle Garschagen onderzoekt in zijn laatste bijdrage vanuit Jakarta hoeveel daar tot nu toe van terechtkwam.

Foto Reuters

Udin slacht een schaap. De 53-jarige man wijst met zijn mesje naar de overkant van het snelstromende riviertje. Daar ligt de Lippo Mall Kemang, een complex van zes woontorens, gemanicuurde tropische tuinen en een winkelpaleis van glas en staal.

„Dit land was van mijn grootvader. Het waren rijstvelden en visvijvers. Daar verdienden wij goed aan”, zegt Udin. Hij hangt het schaap aan zijn poten op zijn kop aan de tak van een zuurzakboom. Met een fileermesje ratst Udin de huid open. Aan de overzijde parkeert een kanariegele Porsche voor de ingang van het luxueuze winkelcentrum.

Udin priemt zijn mesje in de borst van het beest. „Meer dan twintig jaar geleden verkocht mijn grootvader het land aan een projectontwikkelaar. Voor honderd roepia per vierkante meter. Een schijntje.” De darmen, lever en maag rollen uit de buikholte van het schaap. Udin is een vakman; er vloeit nauwelijks bloed. Een damp stijgt op uit het schaap. „Lang was er niks aan de hand, we konden van het land blijven leven. Maar ongeveer tien jaar geleden begonnen ze met de bouw van dit complex. Het enige wat ik nu kan doen is af en toe een schaap slachten.” Udin heeft acht schapen, die hij ieder maar één keer kan slachten.

Tijdens mijn correspondentschap in Zuidoost-Azië de afgelopen vier jaar was de Lippo Mall een baken. Ik navigeerde op de woontorens als ik verdwaalde in de jalan tikus — de rattenstraatjes — van Zuid-Jakarta. Ik at er sushi na lange trektochten op louter nasi goreng en taaie kip. Ik ging er naar de bioscoop (vliegtuigstoelen, dekentjes en de airco op standje toendra) om even aan de chaos van Jakarta te ontsnappen. Ik staarde uit het raam van de sportschool, peinzend over een laatste zin voor een artikel.

Ik kwam er ten minste drie keer per week, maar besloot pas op een van mijn laatste dagen het smalle bruggetje van ijzerplaat over te steken naar de wereld van Udin. Ik had de neiging mijn verhalen ver weg te zoeken, van Kalimantan tot Sumba en van Atjeh tot Ambon, maar onder mijn neus speelde zich een ontwikkeling af die uiterst belangrijk is voor de toekomst van Indonesië. Het was juist voor onmachtigen als Udin dat Joko Widodo, bijgenaamd Jokowi, bij zijn aantreden in oktober 2014 beloofde een revolusi mental te ontketenen.

De kloof tussen arm en rijk zou geslecht worden. Hij zou corruptie en machtsmisbruik bestrijden. Hij wilde dat bestuurders, politici, politiechefs, legergeneraals en schoolhoofden hun baan zouden uitoefenen in dienst van de Indonesiërs in plaats van hun bankrekening of het welvaren van hun eigen familie. Er zou een einde komen aan de manier waarop rijke zakenfamilies, zoals miljardairsfamilie Riady, eigenaar van Lippo Mall, in de grote steden winkelcentra, luxe woontorens en ziekenhuizen neerzetten. Gewone stervelingen, als ooit de grootvader van schapenslachter Udin, zouden niet meer gedwongen worden hun land te verpatsen voor een habbekrats uit angst voor de autoriteiten, de politie of preman — knokploegen op bestelling.

Wie Indonesië van een afstand bekijkt, ziet deze duistere kant van het land niet. De economie groeit stevig, jaarlijks met 5 procent.

De koopkracht neemt toe. Demografisch zit Indonesië op rozen: een grote en jonge beroepsbevolking die zorg moet dragen voor relatief weinig ouderen. Democratie is, sinds de val van de autocraat Soeharto in 1998, niet meer weg te denken. Verkiezingen zijn relatief open en eerlijk, in tegenstelling tot in de meeste Zuidoost-Aziatische buurlanden.

De positieve, opgewekte en enthousiasmerende kant van Indonesië is zeker ook echt. Na ontmoetingen met een door mij samengesteld praatgroepje van hoogopgeleide twintigers en dertigers was ik altijd in een goed humeur. Het was een divers gezelschap met zowel een streng gelovige alleenstaande moeder uit Atjeh als een atheïstische etnisch Chinese. Sommigen wilde topbankier worden, anderen sterrenchef. Ze konden uiterst fel zijn over alles wat er mis was met hun land, van de corruptie tot het slechte onderwijsstelsel, maar tegelijk waren ze er trots op Indonesiër te zijn. Laat hen in de toekomst maar schuiven, dacht ik. Maar als ik nu mijn aantekeningen teruglees, zie ik dat ik vooral constateerde hoe moeilijk zij het vinden verandering teweeg te brengen.

Rosa Situmorang, een consultant met een prachtige tatoeage van een bloeiende roos op haar schouder, oordeelde dat zij die macht hebben – zakenlieden, bestuurders, mediatycoons – vooral verdeel en heers speelden om hun eigen kleine belangen te dienen en hun macht veilig te stellen. „Het probleem is dat de eenheid ontbreekt. Op school, in het nieuws, door politici, altijd worden de verschillen benadrukt. Jij bent moslim, ik christen. Jij bent Javaan, ik Batak. Jij bent arm, ik ben rijk. Die vorm van extremistisch denken is het grootste gevaar voor Indonesië”, zei Situmorang. In mijn kladblok noteerde ik: fel, ogen, vuur.

De wijze waarop Indonesische politici via hun interpretatie van het geloof proberen over te komen als zedige bestuurders, neemt regelmatig groteske vormen aan. Zo was er de minister die beweerde dat je van tweedehands kleding aids kreeg. Geregeld oppert een provinciale politicus of schoolbestuurder dat meisjes voor hun eindexamen een maagdelijkheidstest moeten ondergaan. De burgemeester van een voorstad van Jakarta beweerde dat het eten van te veel instantnoedels tot homoseksualiteit leidt. Meer dan grotesk is de wetgeving die homoseksuele handelingen verbiedt, momenteel in voorbereiding in het Indonesische parlement.

Zelf maakte ik in maart dit jaar mee hoe makkelijk ongefundeerde en verschrikkelijke uitspraken geaccepteerd worden. Een dag na de aanslagen in België keek ik in onze huiskamer naar de BBC. Yanti, de vaste oppas van mijn kinderen, keek met een schuin oog mee. We kwamen te praten over terrorisme. Yanti vertelde dat een islamgeleerde op bezoek in haar moskee had gezegd dat de CIA de aanslagen gepleegd had. En dat een gewelddadige daad tegen het Westen gerechtvaardigd was. Geloof je dat, vroeg ik aan de vrouw die vier jaar lang iedere dag bij ons thuis kwam, die gek is op mijn twee blonde dochters. „Misschien”, zei ze, duidelijk in dubio.

Het is voor politici die een toleranter Indonesië voorstaan moeilijk om aan de macht te komen. Begin volgend jaar kiezen Jakartanen een nieuwe gouverneur. Basuki ‘Ahok’ Tjahaja Purnama, een 50-jarige christen van Chinese komaf, schoof door toen zijn voorganger Joko Widodo president werd. Ahok wil nu op eigen kracht gekozen worden.

Hij heeft de afgelopen twee jaar riolen gebaggerd, wegen aangelegd en busbanen gebouwd om de verstikkende verkeersellende en aanhoudende overstromingen tegen te gaan. Hij is ongeduldig en keihard voor ontheemde bewoners van sloppenwijken aan rivieren die plat moeten.

Toch zullen de verkiezingsdebatten maar ten dele over zijn prestaties gaan. Een christelijke Chinees aan het hoofd van een overwegend islamitische miljoenenstad? Een gotspe, vinden radicale organisaties als Hizbuh Tahrir Indonesia en het Islamitische Verdedigingsfront. Ahok zelf heeft er vertrouwen in, vertelde hij mij vorig jaar op zijn gouvernement.

„Mensen krijgen ingefluisterd dat ze niet op mij moeten stemmen. Is een christen, is een Chinees, horen ze dan. Misschien dat ze dat even accepteren, maar daarna gaan ze nadenken: heeft die man de afgelopen jaren iets voor de stad betekend? Zo ja, dan stemmen ze toch op mij.”

Zijn grootste droom is president worden. „Als ik als christen het hoogste ambt kan bekleden in het land met de grootste moslimbevolking, kan iedereen in Indonesië alles worden”, zei hij.

Foto Bay Ismoyo/ AFP Photo

Foto Bay Ismoyo/ AFP Photo

Hoe moeilijk het is tegen de gevestigde belangen te knokken weet Haris Azhar, afgelopen zomer de meest controversiële man in Indonesië. De mensenrechtenadvocaat, werkzaam voor Kontras, de commissie voor vermiste personen en slachtoffers van geweld, komt twee uur te laat binnen in een hotel in Jakarta. Hij draagt een batikhemd in sombere kleuren – donkergroen, purper –, tekenend voor zijn gemoedstoestand. Hij wrijft over zijn voorhoofd. „Ik werd net gesommeerd bij de minister van Justitie te verschijnen. Ik moest nog een keer mijn verhaal vertellen. Het is moeilijk allemaal.”

Zijn beproeving begon op 29 juli. Diep in de nacht stonden op gevangeniseiland Nusakambangan pelotons van twaalf schutters op het punt een groep drugscriminelen te fusilleren, de derde ronde executies sinds het aantreden van president Jokowi. Die vindt de executies nodig om de oorlog tegen drugsverslaving te winnen. Daarom moest eind juli ook Freddy Budiman sterven, een notoire Indonesische drugsbaron.

Wat de wereld niet wist, was dat Haris Azhar uitgebreid met Freddy Budiman had gepraat. Freddy vertelde, terwijl de band liep, hoe hij voor miljoenen politie-agenten, leden van de anti-drugsautoriteit en cipiers had omgekocht. Hoe hij in Medan drugs had vervoerd in de dure privé-auto van een tweesterrengeneraal van het Indonesische leger, terwijl de beste man naast hem zat.

Uren voor de executie had Haris zijn rapport en bevindingen via WhatsApp naar Johan Budi gestuurd, de woordvoerder van de president.

„Ik had gezegd dat de executie tegengehouden moest worden, dat nieuw onderzoek nodig was. Johan Budi zei dat hij Jokowi niet te pakken kreeg. Dat vind ik vreemd want pak Johan wijkt normaliter geen dertig centimeter van zijn zijde. Als zelfs de president niet geïnteresseerd was, wie dan wel?”

Terwijl Freddy in de stromende regen de kogel kreeg, maakte Haris Azhar de opnames openbaar. „Het was het enige wat ik nog kon doen.”

Hij deed iets wat zelden voorkomt: hij viel de machtigen aan. Het maakte hem een held van het volk maar van officiële zijde werd hij verguisd. Er volgde geen onderzoek naar Freddy’s beweringen of vervolging van corrupte beambten. In plaats daarvan klaagden de nationale politie, het leger en de anti-drugsautoriteit Haris aan wegens smaad. Middenin de nacht werd hij door onbekenden thuis geïntimideerd. Hij denkt dat zijn telefoon wordt afgeluisterd en zegt dat het zomaar zou kunnen dat hij plotseling verdwijnt. „Ik zou niet de eerste zijn.”

Toch vindt hij zijn strijd de moeite waard. Niet eerder vond hij met zijn ideeën over bescherming van de mensenrechten gehoor bij de Indonesische middenklasse. „Die is zeer conservatief ingesteld.” En met de bewijzen van corruptie hoopt hij Jokowi te dwingen de doodstraf te heroverwegen. Zo kan de president eindelijk bewijzen dat hij opkomt voor arme en machteloze Indonesiërs, redeneert Haris.

„Hij kan mijn kant kiezen, bijvoorbeeld. Maar ik zie het niet gebeuren. Vooralsnog bouwt hij liever wegen en havens.”

Optimisten verdedigen Jokowi door te zeggen dat hij beetje voor beetje zijn macht consolideert, zich losweekt van partijbazen als Megawati Soekarnoputri, oud-president en dochter van vader des vaderlands Soekarno. Pas als hij het gevoel heeft echt sterk te staan zou hij aan zijn beloofde hervormingen beginnen.

Jokowi zelf weet dat hij de steun van de middenklasse nodig heeft. En hij beseft heel goed dat die middenklasse overwegend conservatief is, liet hij blijken toen ik hem in april interviewde in het presidentieel paleis in Bogor. Ik vroeg hem of hij beter zou opkomen voor de rechten van homoseksuelen. „Ik bescherm mensenrechten”, antwoordde hij. „Maar Indonesië is het land met de grootste islamitische bevolking. Het geloof is hier ook heel belangrijk.” Het is die tweeslachtigheid die critici doet concluderen dat Jokowi net zo omfloerst te werk gaat als zijn voorgangers: liever niets bereiken dan gevoelige onderwerpen overhoop halen.

Terug in de sloppenwijk in de schaduw van de woontorens van Lippo Mall heeft slachter Udin het wel gehad met het interview. Het schaap is gevild en hij is eigenlijk niet zo’n prater. Merkt hij wat van de politieke omwenteling? Hij schudt zijn hoofd. „Alles is alleen maar duurder geworden. De rivier overstroomt nog steeds.” Hij beent weg. Zijn 12-jarige neefje Akhbar wil wel verder praten. Akhbar heeft een grootse naam, maar is klein van stuk. Samen met zijn vriendinnetje Safira laat hij mij hun buurt zien.

De twee lopen vooruit door enkeldiepe modder vermengd met plastic afval en kippenstront. Ze klimmen een ladder van bamboe op, naar een hut van spaanplaat op stenen pijlers. De beloftes van Jokowi om de armoede te bestrijden en het Indonesische volk te verheffen klinken hier hol. „Dit land is van Lippo”, zegt Akhbar.

„Wij mogen hier gratis wonen, maar er gaan geruchten dat ze gaan bouwen. Dan moeten wij weg.”

In tegenstelling tot oom Udin die nooit binnen is geweest („Dat is niet mijn wereld”) proberen Akhbar en Safira soms de mall te bezoeken. „Alleen als wij onze beste kleren aanhebben vlak na de ramadan mogen wij van de bewakers naar binnen. Ze weten dat wij dan voor het suikerfeest geld hebben gekregen”, zegt Akhbar. Het is er heel koud, zegt Safira. En als je naar de wc gaat kan je handen wassen aan een kraan die vanzelf aanspringt, vult Akhbar aan. Het liefst gaan ze naar TimeZone, een lawaaierige speelhal. „De spelletjes zijn duur. Wij kijken hoe rijke kinderen spelen”, zegt Akhbar, die later piloot wil worden. Dan vliegt hij de wereld over, zit dagelijks aan knoppen en computerschermen, dan kan hij meer doen dan alleen kijken. „Ooit zal ik rijk zijn.”