Cultuur

Interview

Interview

Foto Robin Utrecht

‘Ik wil niemand uit de kast halen’

Interview Al acht jaar vecht Karin Blankenstein voor homoacceptatie in de sport. „We lijden in Nederland aan schijntolerantie.”

Ze lijkt zich al tijdens de vraag even te moeten inhouden. Het is ruim drie jaar geleden dat René van der Gijp op tv zei dat voetbal geen sport voor homo’s is, dat je als homo op je veertiende er wel klaar mee bent en dan in een kapperszaak gaat werken. „Beláchelijk.” Karin Blankenstein (57) kan zich er nog steeds wel over opwinden. Des te meer omdat Van der Gijp altijd goed bevriend was met haar broer, oud-topscheidsrechter John Blankenstein, openlijk homoseksueel. Hij leeft niet meer, maar ze weet zeker dat deze opmerkingen het einde van de vriendschap hadden betekend.

„Tuurlijk werden er grapjes gemaakt. Ik weet nog goed dat hij er een paar dagen voor zijn overlijden was, in het ziekenhuis. De laatste avond dat hij nog heel goed was, het was gezellig druk in het ziekenhuis. Grapjes over en weer, soms op het randje. Maar dat kon. Als het een goede vriendschap is, kan dat.”

Hoe ging John daar zelf mee om?

„O, goed. Zo riep een supporter een keer in een wedstrijd ‘vuile nicht’ naar hem. Toen riep John gelijk: ‘Vuile, vieze poot!’ Hij was daar heel goed in. Hij kon onderscheid maken tussen bewust kwetsen en een grapje maken. Je moet het ook per persoon bekijken. Van der Gijp is iemand die maakt over alles en iedereen grapjes: homo’s, vrouwen, lantaarnpalen. Maar déze opmerkingen…”

Hij maakte ze op tv.

„Precies, en dat heeft John minder meegemaakt. Daar heb ik Van der Gijp op aangepakt. Het was een paar dagen na de Canal Parade, waar ik op een boot van de KNVB stond. Met een Van Praag, met een Van Hooij-donk, een De Boer. En denk je: wow, wat moet dit mooi zijn als je een jonge homo bent, en je houdt verschrikkelijk van voetbal en je ziet al die voetballers dit doen. Hoe belangrijk is dát?

Hij heeft zijn excuses er nooit voor aangeboden?

„Nee, totaal niet. Ik sms’te hem: René, je moet je voorstellen dat op zo’n moment de jongen die daarvoor nog langs de kade stond en dacht ‘hè, ik kan het eindelijk vertellen’ dan op dinsdag met pa zit te kijken, die helemaal in een stuip ligt om jouw zogenaamd leuke opmerking. Ja, zegt-ie dan, maar jullie zijn alleen maar bezig voetballers uit de kast te trekken.”

Blankenstein zag Van der Gijp sindsdien nog één keer. In Dordrecht, toen hij een boek over transgenders in ontvangst nam. „Ik kwam niet meer bij.”

Het punt is: dat ‘uit de kast trekken’ hoort ze vaker. De ‘jullie’ waar Van der Gijp op doelde is de John Blankenstein Foundation (JBF), waarvan zij voorzitter is. Opgericht in 2008, twee jaar na de dood van haar broer, destijds een idee van het COC, de vereniging die opkomt voor de belangen van lhbt’ers in Nederland. De JBF – zes bestuursleden en vrijwilligers – doet dat voor de georganiseerde sport, met name het voetbal en het hockey. Vooral met de KNVB werkt de stichting nauw samen. „Ik heb al zo vaak gezegd: het gaat er ons niet om iemand uit de kast te halen. We willen alleen een sfeer creëren waarin het voor jou mogelijk is om eerlijk te zijn over je geaardheid.”

We zitten in de woonkamer van haar huis, meteen ook haar kantoor, in Naaldwijk. Ruim, modern, midden in een nieuwbouwwijk. Ze „gedoogt” het om hier te wonen, zegt ze lachend. Ze is een echte Haagse. „Als hier nu een vrachtwagen zou staan, en ze zouden zeggen ‘pak al je spullen, we gaan’, dan ben ik zo weg.”

Haar gemiddelde werkdag bestaat uit veel, heel erg veel bellen, en tussendoor bezoekjes aan gemeenten en clubs, vooral amateurclubs. Onder de aandacht brengen, gehoord worden, of de kans krijgen dat te doen. Maar het is al jaren een langzame strijd. Daar heeft ze geen vrede mee, maar soms wel begrip. „Ik ben zelf bestuurder geweest bij een voetbalclub, ik snap echt wel dat die verenigingen soms belangrijker dingen hebben om zich druk over te maken.” Maar tegelijk krijgt ze te vaak het gevoel dat „homo’s gewoon niet zo moeten zeuren”. Want het gaat in Nederland toch zo goed? „Wij lijden hier aan een grote schijntolerantie.” Nou ja, tolerantie. Acceptatie. Ik tolereer, eh, een kat naast me. Kom op zeg, rot op.”

Je hoort clubs vaak zeggen: het is geen enkel probleem, maar het speelt niet.

„Zeg soms tegen een vereniging dat je erover wilt praten en dan krijg je soms: tja, we hebben 500 leden, maar ik ken ze niet. Betekent dat dan niet dat er iets mankeert binnen de club? Dat ze er of niet zijn of het niet durven zeggen? Vraag je weleens aan pubers die ermee stoppen, waarom ze dat doen? Een op een?”

Maar er zijn ook genoeg verenigingen die wel graag willen luisteren, een workshop willen. Verenigingen die zelf bellen ook. En de laatste anderhalf, twee jaar is Blankenstein langs geweest bij vrijwel alle eredivisieclubs voor een eerste gesprek. Ook Ajax, Feyenoord en PSV. Bij Ajax ging ze twee weken nog langs. Edwin van der Sar opende de bijeenkomst met een toespraak.

Blankenstein zou alleen wel af willen van die obsessie met de eerste nog actieve voetballer op hoog niveau die uit de kast komt in Nederland. En dat gaat het om de mannen, want er zijn in teamsporten wel al veel vrouwen uit de kast. „Ik vind het maar een raar fenomeen. Natuurlijk is het positief en is daar veel moed voor nodig. Rolmodellen zijn belangrijk. Maar een topsporter staat op een ander niveau. Wordt dan opeens alles goed voor de gemiddelde jongen in het dorp?”

Nee, de focus moet liggen op de jeugd. „Zeker bij betaaldvoetbalorganisaties. Die zijn alleen maar bezig met talent opleiden. Maar dat kan alleen als dat talent lekker in zijn vel zit.”

De jeugd is de kritieke fase in dit opzicht.

„Ja, ik neem dan John als voorbeeld. Die was 17, 18 toen hij uit de kast kwam. Toen begon hij ook als scheidsrechter. Hij is dus zijn hele carrière openlijk homoseksueel geweest. Als ernaar gevraagd wordt, kon hij altijd eerlijk antwoord geven. Hij hoefde niet bang te zijn dat ze hem zouden zien in een gaytent.”

Als je vroeg uit de kast komt en dan uitgroeit tot topspeler kent het publiek je ook als dusdanig, dus zal de aandacht ook heel anders zijn, wil Blankenstein maar zeggen. Want de aandacht, de reacties, vooral vanuit het publiek, wordt vaak genoemd als barrière. Twee jaar geleden bleek uit onderzoek van de JBF en spelersorganisatie VVCS onder contractspelers in het betaald voetbal dat ruim 70 procent geen moeite zou hebben met een homo- of biseksuele teamgenoot en 4 procent zelfs een teamgenoot kende die het was. Maar diezelfde voetballers zeiden ook in grote meerderheid te denken dat de machocultuur binnen de sport, de supporters en de media-aandacht belemmerend kunnen zijn als je uit de kast wilt komen.

Voetballers die uit de kast kwamen, deden dat vaak na hun carrière, ook uit angst voor reacties.

„En toch denk ik altijd dat als je een op een met supporters zou praten, dat het ze worst zou zijn, want die wil alleen maar dat zijn ploeg wint. Maar je moet mee in die massa. Als er tien ‘homo, homo, homo’ zingen, dan doe je mee. John zei altijd: kunnen ze met z’n allen wel schelden, maar als scheidsrechter ben ik toch altijd de lul.”

Hij lachte het weg, maar is de sfeer in stadions goed te noemen?

„Het stadion kan je vijand zijn. Maar onderneem dan als spelers actie. Je bent allemaal collega’s van elkaar. Stop met de wedstrijd, een goede scheidsrechter gaat daarin mee.”

Boven heeft Blankenstein een klein kamertje ingericht met spullen van haar broer. Weggooien was geen optie. Hij bewaarde alles, zegt ze. Veel van wat hij zelf schreef is gebruikt voor het boek over zijn leven dat vorige maand uitkwam. In een oude schoolkast liggen medailles, speldjes, ballen, schoenen. Een roestig fluitje, „tot het eind van zijn carrière gebruikt”. Aandenkens aan tv-programma’s waar hij in zat – „hij was best mediageil, ja”. Mappen met krantenknipsels. „Ik heb zelf de strijd gezien die John meemaakte vroeger. Ik wil niet dat ooit één gezin dat nog moet ervaren,” zegt Blankenstein. „Hij was echt wel een vervelend kind, maar hij had iets waarmee hij niet naar buiten kon komen. Vijftig jaar geleden, jongens. Bang om niet geaccepteerd te worden. En wat zijn we nu helemaal verder? Zijn we nu verder?”

Beantwoord die vraag eens. Hoe zou uw broer er nu tegenaan kijken?

„Hij was al pessimistisch voor hij overleed. Hij heeft ook de periode meegemaakt dat alles kon: hosanna, flower power. Al wilde je in je blote reet op straat lopen. Maar de maatschappij is toch veranderd: andere geloven, andere culturen. Hij zag het weer moeilijker worden.”

Zou hij denken: wat gaat het langzaam?

Blankenstein denkt even na en zucht. „Ja, dat heb ik zelf ook wel. Dan hoor ik weer: ‘ja, dan kunnen we ons overal wel mee bezighouden’. Of de samenstelling van de vereniging leent zich er niet voor. Of ze hebben geen tijd. En het verbaast me weleens dat uit de hoek van de homo’s zelf weinig komt. Dat ik dan heel soms denk: hebben ze nou misschien toch echt niets met voetbal?”

Dat gaat soms door uw hoofd?

„Ja, maar dat heeft iedereen weleens, denk ik, als je vrijwilligerswerk doet. Het gevoel dat je een verloren strijd voert.”

Wat zijn dan die momenten die u weer energie geven?

„Dat je dan toch weer een mail krijgt van een vereniging die zegt: joh, wij vinden het wél belangrijk. Of een mail van een jongen die inmiddels weer gelukkig is en lekker kan voetballen. Ik doe het niet voor mezelf, want dan was ik er allang mee gestopt. Mijn onbezorgde leventje gaat toch wel door. Maar dat is me de eer te na.”

Is er een einddoel?

„Als jij niet meer hier zit en dit soort vragen hoeft te stellen.” Ze lacht. „Nee. Ik hoop dat zover komen dat je niet meer tot je 30ste hoeft te wachten om uit de kast te komen. En gun iedereen zijn sportplezier. Is dat het? Ik denk dat we dan al aardig onderweg zijn.”